Episode Transcript
[00:00:00] Speaker A: Beste luisteraar, weer hartelijk welkom bij de tiende aflevering van mijn serie De katholieke van Vietnam.
Deze aflevering kreeg de titel Over de decolonisering van de Vietnamese kerk.
In de vorige aflevering vertelde ik u over de opbloei van de kerk in het koloniale tijdperk na een periode van bloedige antikatholieke vervolgingen die vele duizenden slachtoffers had veroorzaakt.
Ik vertelde u ook dat de al eerder ingezette groei van het aantal Franse missionarissen zich in de koloniale periode nog versterkt doorzette.
In 1868 waren het er nog maar 64, in 1892 waren het er ruim 200 en in 1904 bijna 400.
Ik vertelde u toen ook hoe onder leiding van die missionarissen talloze weeshuizen, ziekenhuizen, apotheken, leprakolonies en tehuizen voor zeer bejaarde en terminaal zieke ontstonden.
Allemaal instellingen die in de keizertijd praktisch onbekend waren.
Maar ook zagen we hoe de Vietnamese kerk in het koloniale tijdperk te maken kreeg met allerlei soorten spanningen en problemen. Interne spanningen bijvoorbeeld tussen de Vietnamese priesters en de Franse missionarissen en externe spanningen vooral tussen de kerk en het koloniale gezag.
In de bronnen konden we lezen dat de sociale afstand tussen de Franse missionarissen en de Vietnamese priesters juist in de koloniale periode groter werd.
De inheemse priesters werden steeds meer als lauter hulptroepen van de missionarissen gezien.
Dat ging zich zelfs vaak uiten in verschil in aanspreektitels.
Vaak begon men gescheiden te wonen en te eten.
Zelfs retreates werden doorgaans gescheiden georganiseerd.
Neerbuigende of sceptische houdingen tegenover de Vietnamese klerus gaan we vaker aantreffen in schriftelijke bronnen. Je zou kunnen zeggen dat de Vietnamese kerk zich hier aanpaste aan het kolonialisme.
Ik gaf u van dit alles voorbeelden.
Er leek rond 1900 zelfs een soort generatiekloof op te treden tussen de oudere generatie van missionarissen die al langer in het land verbleven en de gruwelen van de vervolgingen hadden doorstaan en de nieuw aangekomenen.
Ik vertelde u ook hoe in het jaar 1909 drie Vietnamese priesters voor de rechter stonden omdat ze actief steun hadden gegeven aan een illegale antikoloniale organisatie die onder leiding stond van de nationalistische intellectueel Van Boi Chau.
Over deze Chau vertelde ik u in aflevering 8.
Onder dekmantel van hun activiteiten als parochiepriesters hadden de drie geld ingezameld, tractaatjes rondgedeeld en nieuwe aanhangers geworven.
Ik meldde u toen ook dat de activiteiten van deze priesters natuurlijk atypisch waren, maar tegelijkertijd illustratief waren voor de invloed van nationalistische ideeën binnenkringen van jonge Vietnamese priesters en ontwikkelde gelovigen.
Ik heb u vorige keer ook verteld hoe het ook lang niet altijd pais en vree was tussen de Franse missionarissen en de koloniale autoriteiten.
Dat je de anticlericale gezindheid binnen delen van het establishment in het Frankrijk van de derde republiek ook bij veel Franse bestuurders en Franse journalisten in Vietnam kon aantreffen.
Van belang in deze was een sterk netwerk van vrijmetselaars in koloniale kringen.
In de loop van het koloniale tijdperk was er dus ook sprake van een groeiende tegenstelling tussen de katholieke en de koloniale visie op de beschavingsmissie van Frankrijk.
En ik gaf u een paar voorbeelden van conflicten tussen kerk en koloniaal gezag op het gebied van het onderwijs. Tot zover mijn samenvatting van de vorige aflevering.
In deze aflevering kom ik te spreken over een door de kerkleiding in Rome ingezette ontwikkeling die sommige historici wel hebben aangeduid als de decolonisering van de Vietnamese kerk.
De kerkleiding in Rome begon zich ongerust te maken over de in de vorige aflevering geschetste problemen binnen de Vietnamese kerk.
We moeten een en ander natuurlijk ook in een groter verband zien van Europese ontwikkelingen.
In de negentiende eeuw had het bestaan van seculiere nazistaten als Frankrijk en het Duitse Rijk de kerk in een moeilijke positie gebracht.
Denkt u in zaken Duitsland bijvoorbeeld aan de conflicten tussen Bismarck en de kerk in de vorm van de zogeheten cultuurkamp?
Denkt u aan de spanningen tussen kerk en staat in de Franse derde republiek.
Denkt u ook aan de opkomst van de socialistische beweging in Europa en aan de grote uitdagingen die voor de kerk ontstonden als gevolg van het binnentreden in het tijdvak van de massapolitiek en van de massapers.
Allemaal ontwikkelingen die in potentie de godsdienst als bron van identiteitsvorming in de weg konden staan.
Maar terug naar Vietnam.
Natuurlijk had het 19e eeuwse Europese kolonialisme de evangelisering in grotere delen van Afrika en Azië makkelijker gemaakt.
Denkt u alleen maar aan de verbeteringen op verkeersgebied.
Maar eind 19e eeuw begonnen Vaticaanse autoriteiten zich ook ongerust te maken over de mogelijke toekomstige gevolgen van de typisch koloniale trekken die de kerk in de missiegebieden ging vertonen.
Men maakte zich in Rome met name zorgen over het onvermogen of de onwil in veel missiegebieden ten aanzien van de vorming van een lokale klerus.
Al in 1893 zien we die zorg verwoord door paus Leo XIII in zijn encycliek Ad extremas.
In die encycliek werd de kerk in de missiegebieden opgeroepen om te zorgen voor meer en betere seminaries en voor een betere lokale vertegenwoordiging in de missiehierarchieën.
Propaganda FIDE was de congregatie van de Romeinse curie die bevoegd was voor alles wat betrekking had op de missiegebieden.
De arbeid van deze congregatie werd versterkt.
Voor het eerst begon men daar bijvoorbeeld meer systematisch informatie en statistisch materiaal over de missiegebieden te verzamelen.
Vooral via vragenlijsten en jaarlijkse rapporten.
De Eerste Wereldoorlog leidde tot meer zorgen.
Niet alleen door ontwikkelingen die ingezet werden door de Russische revolutie en door de dreigende opkomst van het communisme in Europa.
Denkt u aan revolutionaire woelingen in landen als Duitsland en Hongarije. Maar de Eerste Wereldoorlog leidde ook tot een verslechtering van de toestand in de missiegebieden zelf.
In Vietnam bijvoorbeeld verdwenen tientallen jonge missionarissen om in het Franse leger te dienen als amuseniers.
En lang niet allemaal kwamen ze na de oorlog terug.
Ook de financiële ondersteuning uit Europa droogde op door minder donaties.
In 1919 reageerde paus Benediktus XV met zijn apostolische brief Maximum Iloet op deze problemen.
We kunnen in deze brief lezen dat, citaat, alleen de lokale priester, die één is met zijn volk door geboorte, door de natuur, door zijn gevoelens en wensen, in staat is om een beroep te doen op hun denkwijze en hen voor het geloof te winnen.
In deze brief vinden we met name het idee verwoord dat wanneer de kerk teveel afhankelijk blijft van buitenlandse priesters en bischoppen, dit het idee in deze gebieden versterkt dat de christelijke godsdienst de nationale godsdienst is van de koloniale macht.
En dat iemand die gedoopt wordt, citaat, zijn loyaliteit ten aanzien van zijn eigen volk opgeeft en zich onderwerpt aan de pretentie en overheersing van een buitenlandse macht.
De paus bekritiseerde die missionarissen die meer ijver aan de dag leggen ten gunste van het profijt van een of andere speciale natie dan van het Koninkrijk gods.
En daarmee, citaat, de evangelisatie vervormen tot een of andere spirituele en culturele vorm van kolonialisme.
Wanneer u de vorige aflevering beluisterd heeft begrijpt u hoe een en ander erg relevant was voor de kerkelijke toestand in Vietnam.
Na een korte pauze met Vietnamese muziek keren we naar de kerk in dat land terug.
[00:10:06] Speaker B: MUZIEK EN Kijk naar die man daar, hij komt morgen terug, heb je het vergeten? ZANG Vanavond gaat hij met zijn vrouw, vanavond gaat hij met zijn vrouw terug. Ik heb het niet vergeten, ik heb het niet vergeten.
Ik heb het niet vergeten, ik heb het niet vergeten.
Kijk naar die man daar, kijk naar die man daar.
Kwa teunam, dao baklam roh vang Ngui dung khak ho, dung no thoi keun Mai dia, kwun o, bang ngai thoi mak keun Toi o, kwun dia Zang aya kwun dia, zang kung nyu tu Zang aya kwun dia, zang kung nyu tu MUZIEK MUZIEK EN Men ZANG
[00:12:21] Speaker A: maakte zich in Rome met name zorgen over de berichten die men ontving over de groeiende interkerkelijke spanningen, waar ik u in de vorige aflevering over vertelde.
Henri Le Croire, een Franse Jesuit met veel ervaring in China, werd naar Indochina gestuurd om de situatie van de missie al daar in kaart te brengen.
Na een verblijf van ruime jaren, in 1922-1923, trok hij een aantal duidelijke conclusies.
Die waren natuurlijk niet allemaal vrotrustend.
Over zijn bezoek aan het vicariaat Boi Chu schreef hij bijvoorbeeld dat niets het geloof van deze christenen en hun devotie voor en enthousiasme over de paus kon uitdrukken. De ontvangsten in dit vicariaat waren onvergetelijk.
Monsieur Le Croix had het over tienduizenden christenen die hem op straat verwelkomden en toejuichten.
Maar niet alles was om over naar huis te schrijven. Hij rapporteerde over het gebrekkige onderwijs binnen de seminaries en over de soms slechte relaties tussen de missie en de Franse autoriteiten.
Maar wat hem het meest vond rusten was dat veel missionarissen vanaf hun aankomst vanuit een basaal soort wantrouwen een autoritaire houding aannamen.
Met name was hem het beleid van apartheid opgevallen in de betrekkingen tussen de missionarissen en de lokale geestelijkheid.
Uitzonderingen in deze waren er natuurlijk ook.
In de missie in Hoel waren de relaties tamelijk goed.
Maar elders had hij de ervaring dat in gesprekken de inheemse priesters klachten uitspraken die duidelijk niet de aandacht hadden opgewekt van de missieleiding.
In Faad Diem had een leraar Latijn van het kleinseminarie in het openbaar een soort lezing gehouden over de miserabele leefsituatie van veel Vietnamese priesters.
Seminaristudenten hadden tegenover monsieur Le Croire hun beklag gedaan, zowel over de gebrekkige voeding als ook over de inadequate opleiding.
En over de slechte behandeling die zij vaak van de kant van de missionarissen ontvingen.
Na het vertrek van monsieur Le Croix ontving men in Rome nog tientallen brieven van Vietnamese priesters met soortgelijke klachten.
In een brief trok een groep priesters een expliciete parallel tussen de kerkelijke en de politieke situatie in hun land.
Zij schreven in die brief, citaat, dat de heidenen een geest van onderdrukking binnen de kerk waarnemen, die lijkt op een soort gelijke mentaliteit in de koloniale politiek.
die heidene zien hoe de missionarissen ons binnen de kerk eronder houden, zoals andere Fransen doen in de politiek.
En dus beschouwen zij onze godsdienst als iets onvolkomens en dus als iets louter menselijks.
Zij wantrouwen ons en wenden zich van ons af.
Monsieur Le Croix beëindigde zijn bezoek met een bijeenkomst van alle Vietnamese bischoppen.
Tijdens die vergadering presenteerde hij zijn voorlopige conclusies.
Hij riep de bischop op het katholieke onderwijs te moderniseren, in het bijzonder de priesteropleidingen.
Een sterke aanbeveling deed hij om het semi-koloniale droit de prescience, het voorrangsrecht, dat de buitenlandse missionarissen als een soort gewoonterecht bezaten, radicaal af te schaffen.
Onmerkelijk was de aanbeveling om, ter bestrijding van het anafabetisme, het Westerse alfabet nog meer te gebruiken in kerkelijke publicaties.
Dat was het Coq Nou, waar ik u al eerder over vertelde.
Controversieler lag zijn aanbeveling de missies voortaan hun beste studenten naar het Collegium Urbanum, het seminariën van propagandafide in Rome, te laten sturen.
Voor ons interessant is natuurlijk nog dat de congregatie Propaganda Fide tussen 1918 en 1933 geleid werd door de Nederlandse redemptorist kardinaal Willem Marinus van Rossum.
Het was van Rossum onder wiens leiding die wereldwijde missiehervormingen plaatsvonden.
In 1926 komt paus Pius XI met de encycliek Rerum Ecclesiae. Hierin richt hij zich weer op het probleem van de inheemse klerens, die slechts als hulptroepen van de missionarissen wordt ingezet, en op de vaak te beperkte kennis van lokale talen en culturen.
Ook komen mogelijk toekomstige politieke omwentelingen in het vizier. Stel dat een nieuwe overheid alle missionarissen van zekere nationaliteit het land uitzet.
Dat kan gebeuren als gevolg van imperialistische rivaliteit, maar ook door binnenlandse revolutie.
Veronderstel dat de inwoners van een zeker gebied, omdat zij vrij en onafhankelijk willen zijn, de gouverneur, de soldaten en de missionarissen uit de koloniserende natie het land uitzetten.
Dan kan iedereen begrijpen wat een ramp dat zou betekenen voor de kerk in zo'n gebied.
Tenzij er in zo'n gebied een sterke inheemse klerus is geplant.
En Pius XI benadrukt nog eens in deze encycliek dat er anders dan in koloniale regimes in de kerk geen scheidsmuren horen te staan tussen de Europeanen en de niet-Europeanen.
In Vietnam kwam het in 1933 tot een spectaculaire verandering.
Hoewel de meeste Franse koloniale bestuurders, maar ook veel missionarissen hier bepaald niet enthousiast over waren, werd dat jaar in Rome de priester Jean-Baptiste Nguyen Ba Thong als eerste Vietnamese tot bisschop gewijd.
Twee jaar later volgde de tweede.
Aan de woorden van een willekeurige Vietnamese katholiek kunnen we wel aflezen hoe dit bij veel Vietnamesen en niet alleen de katholieken onder hen werd beleefd.
Deze geloven geschreef, nu zien wij Vietnamesen die de positie van bisschop bereiken, een belangrijke positie met een titel die in het verleden alleen de Europeanen bezaten.
Wat laat zien dat Vietnamesen niet ondergeschikt zijn aan Westerlingen.
De nieuwe bischop kwam met de boot aan in Saigon, toen een menigte van duizenden katholieken hem daar kwam begroeten.
En vervolgens trok de nieuwe bischop Tong naar het noorden.
En ook daar werd hij door een grote menigte toegejuicht.
Het was drie uur in de middag en de klokken van de kathedraal begonnen te luiden om de aankomst van de bischop aan te kondigen.
Het was in een schoolvakantie en duizenden kinderen stonden de bischop op te wachten, gekleed in sneeuwwitte pakjes met rode kruisen op hun mouwen, terwijl ze stonden te wuiven met vlaggen en bannieren met portretten van de nieuwe bischop.
Drie dagen later preek de bischop Toon in de kathedraal.
Sinds de bouw van de kathedraal in 1886 was hij de eerste Vietnamese priester die dat daar deed.
[00:21:01] Speaker B: ZANG EN MUZIEK ZANG EN MUZIEK MUZIEK Oh, o, o, o, o, o, o, o, o, o, o, o, o, o, o, o, o, o, o, o, o, o, o, o, o, o, o, o, o, o, o, ...maar het is moeilijk voor me om je mee te nemen... ...want ik heb een studie.
Ik heb een studie. Mijn moeder heeft een studie.
Er
[00:23:41] Speaker A: zijn volgens de Amerikaanse historicus Charles Keith twee manieren om de ontwikkeling van de Vietnamese kerk in het koloniale tijdperk te karakteriseren.
Enerzijds beginnen gelovigen op allerlei manieren over de grenzen van hun dorp en streek heen te kijken en zich zo steeds meer bewust te worden tot een nationale kerk te behoren.
Anderzijds wordt het bewustzijn verhoogd dat men deel uitmaakt van een wereldkerk.
Op een vlakke gezien lijken dit tegenstrijdige ontwikkelingen, maar we zullen nog zien hoe beide ontwikkelingen elkaar versterkt hebben.
Er ontwikkelde zich in de koloniale samenleving zelf natuurlijk allerlei factoren die het ook voor katholieken mogelijk, maar ook vaak noodzakelijk maakten, de grenzen van dorp en streek daadwerkelijk achter zich te laten.
Mogelijk en noodzakelijk. Mogelijk, dan denken we aan de modernisering van de infrastructuur in de vorm van nieuwe wegen, het spoor en stoomschepen die het reizen makkelijker maakten.
Dan denken we ook aan allerlei nieuwe werkgelegenheid in fabrieken, in mijnen en op plantages.
noodzakelijk. De koloniale economie bood elders allerlei kansen, maar ook de diepe armoede op het platteland maakte de beslissing om te migreren bepaald niet altijd vrijwillig.
Die migratie kon natuurlijk leiden tot allerlei vormen van vervreemding en geestelijke ontworteling en vormde als zodanig natuurlijk een uitdaging voor de Vietnamese kerk.
Een uitdaging overigens die zich natuurlijk ook in de Europese landen voorgedaan had.
in het koloniale tijdperk ging in Vietnam de belangrijkste migratiestroom van het dichtbevolkte en arme Tonkin naar het zuidelijke Kosh in China.
Waar, zoals een katholieke krant toen schreef, het land overvloedig was en de mensen schaars.
Een van die arbeidsmigranten was ene Tran Tu Binh.
Ik vertelde al eerder iets over hem.
Veel later, in de jaren zestig, werden zijn memoirs in het toenmalige communistische Noord-Vietnam gepubliceerd.
Die memoirs verschenen in 1964 en droegen de titel De Rode Aarde.
Een Vietnamese herinnering aan het leven op een koloniale rubberplantage.
Toen die memoirs uitkwamen, had Bin het geschopt tot lid van het centrale comité van de Communistische Partij en tot ambassadeur in China.
Ik zei al eerder, het geschrift wordt hier en daar ontsierd door propagandistische overdrijving, maar hij heeft bepaald niet alles uit zijn duim gezogen.
Het boekje geeft ons een uniek beeld van het arbeidersbestaan op zo'n gigantische plantage.
Bin kwam uit een katholiek dorp ergens in de Rode Rivieradelta, waar zijn vader koeienstromt verzamelde en als mest weer verkocht.
Een baantje met zowat het minste aanzien in zo'n dorpsgemeenschap.
Met zware financiële offers hadden zijn katholieke ouders het mogelijk gemaakt dat de jongen naar een krijgsseminarium ging.
Bing geeft een weinig opwekkend beeld van het leven daar.
Hij wordt weggestuurd onder andere wegens zijn deelname aan het massale rouwbeklag voor de gestorven nationalist Van Chu Chin.
In zijn memoiris beschrijft hij hoe hij zich in 1927 aansloot bij mensen die vanuit Tonkin op zoek waren naar arbeid op een van de zuidelijke rubberplantages die aangelegd waren door Franse firma's als Michelin.
Eerst werden zij onder verschrikkelijke omstandigheden in een verzamelkamp ondergebracht waar de rijst en de vis verrot waren en waar mensen die niet konden lezen dubieuze contracten ondertekenden.
De omstandigheden op het Franse vrachtschip dat hen naar Saigon vervoerde waren al even erbarmelijk.
En dan lezen we Op het moment dat het schip in Saigon aangemeerd was, sprongen Franse en Vietnamese opzichters luidruchtig aan boord.
Zij hadden stokken die zij op onze hoofden lieten neerkomen om ons te tellen alsof we beesten waren.
Onze bagage, die bestond uit simpele zakken en manden, werd verstrooid en stukgescheurd en sommige vrouwen en kinderen raakten verstrikt in die chaotische berg.
De gehele menigte, honderden mensen, werd aan wal gedreven door de opzichters als een kuddevee.
Op de kade wemelde het van politieagenten.
Zij verdeelden ons en stonden aan beide kanten van de straat, steeds om de 10 meter, met gummiknuppels en ploertedoders klaar in hun handen.
Het gemeenst waren de halfbloeden onder hen.
Zij vloekten voortdurend en riepen jullie klootzakken barbaren.
En terwijl zij vloekten zwaarden zij met hun stokken in de richting van onze hoofden en nekken.
Al dus binnen.
Aangekomen op de uiteindelijke plaats van bestemming bleek dat midden in een tropisch regenwoud te liggen waar de arbeiders ingezet werden om dat regenwoud te transformeren in een reusachtige rubberplantage.
Die plantage was 20 kilometer lang en meer dan 10 kilometer breed.
Dat gebied omvatte ook deels de gronden van een etnische stam die rukzichtloos verdreven werd.
Om de kilometer lagen er werkkampen die aan vier kanten omgeven waren door hekken met prikkeldraad.
Zo'n kamp bestond uit een rij barakken met ieder 50 arbeiders.
Er waren wat afscheidingen maar men sliep op de houten grond.
In het hete en vochtige klimaat hielp het niet dat het dak bestond uit plaatijzer en dat er geen ramen waren.
De arbeiders stonden onder een hiërarchie van voormannen, opzichters en hoofdopzichters.
De opzichters waren gerecruiteerd uit het Franse leger.
En boven dit alles stond een Franse manager die in een soort bungalow huiste met een hele ploeg aan huishoudelijk personeel en die van daaruit de plantage runde.
De meest voorkomende straffen bestonden uit geldboetes en lijfstraffen.
Maar ook buiten de formele strafopleggingen werd er flink geslagen.
Men stond op om vier uur in de ochtend om dan meteen zijn voedsel voor die dag te bereiden.
Men werkte van zes uur tot zes uur.
Mindeste tijd die men kwijt was aan de tocht van en naar de arbeidsplaats.
Malaria en dysenterie waren chronisch.
Er vielen per maand vele doden, waaronder wanhopige mannen die met een touw het woud ingingen om hun lot in eigen hand te nemen.
Bing beschrijft ook allerlei vormen van verzet.
Het vermoorden van de vreedste opzichter, de sabotage en de langzaamaanacties.
Hij komt buiten de plantage in contact met een ondergrondse communistische cel en sticht een soort partijafdeling.
Hij schrijft dan zinnen op als, voor het eerst begreep ik hoe de revolutionaire theorie verbonden was met de revolutionaire beweging.
De leer van de oude meesters van het marxisme drong nog dieper door in mijn hart.
Zonder revolutionaire theorie zal er geen revolutionaire beweging zijn.
En wanneer theorie zich diep met de realiteit verbindt, wordt het een materiële kracht.
Onze ex-seminarist schrijft dan over de Eed van Trouw die de leden van de nieuwe afdeling afleggen, waarmee zij onder andere beloven tot aan hun dood trouw te blijven aan klassen en partij, en om ieder ander geloof opzij te zetten en alleen in het communisme te geloven.
Wij lezen in zijn Memoires Wij stoken onze hand in de lucht en zworen de eet.
Daarna gaven wij elkaar een hand en noemden elkaar kameraad.
Het is moeilijk te beschrijven hoe ik mij toen voelde.
Op dat moment was ik toegetreden tot de communistische familie van revolutionaire.
Toen ik dat woord kameraad voor het eerst uitsprak, gaf me dat een buitengewoon gevoel van warmte en affectie. Het voelde alsof mijn krachten zich verdubbelden.
Vanaf dat moment zouden het verstand en de handen van deze kameraden me helpen en me voorwaarts stuwen.
Mijn hart voelde licht aan, zwevend alsof ik opgetild werd.
Mijn oren begonnen heet aan te voelen en mijn ogen werden zo mistig dat ik mijn kameraden niet meer duidelijk kon zien.
Hij vertelt dat af en toe exemplaren van de krant L'Humanité van de Franse communistische partij de plantage binnengesmokkeld werden en dat hij door zijn achtergrond in staat was artikelen te vertalen.
De communistische cel weet uiteindelijk de meerderheid van de arbeiders achter zich te krijgen en de zaak loopt in 1930 uit op een grote staking en een bedrijfsbezetting, onderdeel overigens van een golf van sociale onrust in het gehele land.
Samen met honderden anderen wordt Bin veroordeeld tot een langjarig verblijf in de gevangenis op het Kon Son eiland.
Daar begon hij naar eigen zeggen aan het eerste semester aan de Universiteit van de Revolutie te studeren.
Door Bins ogen zagen we net het Frans-kolonialisme in een van zijn afschuwelijkste vormen.
Ik gaf hem uitvoerig het woord, enerzijds als noodzakelijke aanvulling, op mijn verhaal vorige keer over Ho Chi Minh.
Want het communisme is natuurlijk niet alleen te begrijpen als resultaat van de activiteiten van Comintern-agenten.
Anderzijds om dat net gehanteerde begrip, kerkelijke uitdaging, wat inhoud te geven.
Kerkelijke reacties op een en ander waren zeer divers.
Een missionaris noteerde over die massale migratie.
Onder deze migranten zijn er die niet terechtkomen in een milieu dat gevaarlijk is voor hun ziel.
Wanneer zij terechtkomen in geëvangeliseerd gebied, worden zij daar opgevangen door herders die van hen houden en voor hen zorgen, zoals wij dat ook doen.
Maar anderen gaan verloren.
Of omdat zij in gebieden terechtkomen zonder christenen, of omdat zij geen contact maken met een priester in hun nieuwe woonplaats.
De bischop van Hoe kwam in 1934 met de suggestie om een soort migrantendienst op te zetten, waarbij lijsten van migranten uitgewisseld zouden worden tussen de oude prorogie en de nieuwe.
Ik herinner me gelezen te hebben dat dergelijke ideeën eerder ook in Nederland wel geopperd zijn om bijvoorbeeld de massamigratie van brabanders naar de Hollandse steden in kerkelijke banen te leiden.
Maar bij ons is daar net als in Vietnam weinig van terechtgekomen.
Een voorganger van deze bischop schreef al in 1912 over de honderden arme katholieken die naar de zuidelijke plantages vertrokken na een driejarig contract getekend te hebben en dat velen het bestaan daar niet overleefden.
Berichten over de vreselijke toestanden daar zullen anderen wel tegenhouden, zo hoopt hij dan te vergeefs.
Veel later, in 1930, zien we de Spaanse bischop van Bui Chu de migratie van katholieken naar een plantage op een eiland voor de kust van Koshen, China, zelf te hand nemen.
Hij recruteert 2000 gelovigen omdat hij gelooft dat een dergelijke collectieve migratie het gelovigen mogelijk maakt om een gemeenschap te blijven vormen en hen zo zou helpen om hun geloof te behouden en hun ziel te redden.
En in ruil voor die arbeidskrachten weet hij van de plantageleiding daar bepaalde toezeggingen te krijgen. Onder andere de bouw van een houten kerkje en een school.
Na een korte pauze keren wij terug naar het kerkelijk leven en naar het thema decolonisering.
[00:37:49] Speaker B: Hula-Huan, Hula-Huan is Hula-Huan.
[00:37:54] Speaker A: Alakwan, Ho-Huan is Hula-Huan.
[00:37:58] Speaker B: Het land is lang, Hula-Huan, zoals de schoonheid.
Hula-Huan, het land is lang, is Hula-Huan. Het land is lang, is Hula-Huan.
Het lang, land is is Hula-Huan. ZANG EN MUZIEK MUZIEK EN MUZIEK ZANG
[00:39:01] Speaker A: EN ZANG Eerst richten we onze blik op een belangrijke kerkbestuurlijke ontwikkeling.
In 1934 komen de bischoppen van Vietnam in Hanoi voor het eerst samen, wanneer daar voor het eerst een algemene bischoppenvergadering wordt gehouden.
Voor het eerst komen bischoppen uit het noorden, het zuiden en centraal Vietnam in één orgaan bij één.
Eerdere vergaderingen waren regionaal geweest.
Voor het eerst zijn er ook Vietnamese bischoppen aanwezig.
De vergadering wordt opgesplitst in vijf comité's waarin zaken besproken worden als uitvloeisel van het eerdere bezoek van monsieur Le Croire.
Er werd bijvoorbeeld gesproken over hervormingen van de priesteropleiding en over een grotere eenheid op het gebied van de kerkelijke kalender.
Ons valt de dwingende oproep op om het verschil in aanspreektitel tussen missionarissen en Vietnamese priesters af te schaffen.
Ik sprak net over binnenlandse migratie, die het katholieken mogelijk maakte steeds meer over de grenzen van hun dorp en streek heen te kijken.
Een andere belangrijke ontwikkeling die dat mogelijk maakte was het terugdringen van het anafabetisme en het steeds omvangrijkere gebruik van het westers alfabet.
Via die gedrukte publicaties werden zowel het idee van een nationale kerk versterkt als ook het besef tot een wereldkerk te behoren.
In de negentiende eeuw was het gedrukte woord voornamelijk een privilege voor de priesters en de sociale elite.
Na de Eerste Wereldoorlog nam het aantal katholieke tijdschriften en kranten explosief toe.
De priester Lucas Lee, die geregeld in de tijdschrift voor de Vietnamese priester schreef, zag de katholieke pers vooral als een middel om de gelovigen te beschermen tegen een golf van atheïsme, materialisme, communisme en anticlericalisme.
Anderen benadrukten het opkomen voor katholieke belangen en de verdediging van de kerk tegen allerlei soorten bedreigingen.
Weer anderen zagen de katholieke pers vooral als het middel om bruggen te slaan met andersdenkenden.
Ten einde allerlei vooroordelen weg te nemen.
Vooral natuurlijk het oude idee dat Vietnamese katholieken in potentie landverraders waren.
In de jaren dertig bestonden er vijftien verschillende katholieke kranten en tijdschriften waarin naast zuiver goddienstige thema's ook gedebatteerd werd over zaken als de uitdagingen van het westerse onderwijs en de wetenschap, over de rol van de vrouw in het licht van veranderingen in het familieleven, over de armoede en andere sociale problemen. over nationale gewoonten en culturele gebruiken, over de taken van de jeugd, over nieuwe stromingen in literatuur en beeldende kunst, et cetera, et cetera.
Er was nog een derde ontwikkeling die zowel het besef vergroten tot een nationale kerk te behoren, maar tegelijkertijd ook op allerlei manieren de band met de wereldkerk versterkte.
Dat was een spectaculaire opbloei van het kerkelijk verenigingsleven.
Er ontstaan allerlei kerkelijke organisaties.
Veel van die organisaties gaan direct of indirect terug op Europese voorbeelden.
Zo werd in 1933 in Vietnam de eerste Vincentiusvereniging opgericht.
Precies honderd jaar nadat de Fransman Frédéric Auzanam in Parijs op zijn twintigste met enkele bevriende studenten uit bezorgdheid over de misère onder de arbeidersklasse de Vincentius Apollo Vereniging opgericht had.
Allerlei vormen van sociale ondersteuning werden door deze verenigingen georganiseerd.
In 1928 zien we, ook naar Europees voorbeeld, de kringen voor katholieke sociale studies opgericht worden.
Doel was het bijeenbrengen van leken voor de studie van allerlei sociale en economische kwesties.
De eerste twee jaar werd de organisatie door de koloniale overheid nog speciaal in de gaten gehouden.
Desal niet minst verspreidde deze organisatie zich over geheel het land en organiseerde gedurende de jaren dertig enkele belangrijke conferenties.
Enkele jaren eerder dan in Nederland kwam in 1934 de katholieke actie van de grond.
De katholieke actie was een door Pius XI geïnitieerde lekenbeweging die in dienst stond van een natestreven herkerstening van de samenleving.
Al is die term herkerstening misschien minder op zijn plaats in Vietnam.
Concreet ontstonden onder het dak van de katholieke actie een aantal organisaties voor jongeren, vrouwen en arbeiders.
Zo zien we overal afdelingen van de padvinderij, van de katholieke plattelandsjeugd, van de jonge katholieke arbeiders, etc.
Wanneer in 1939 in Rome een wereldwijde bijeenkomst plaatsvindt van organisaties van werkende jongeren, zijn daar ook drie jonge Vietnamesen bij aanwezig.
Eerder waren er in Vietnam al enkele nationale bijeenkomsten van katholieke jongeren geweest. Bijvoorbeeld in 1936 toen in de noordelijke stad Nam Dinh tussen de vijf en zesduizend jongeren bijeenkwamen om op de eerste avond een pontificale hoogmis bij te wonen op een veld buiten de stad.
Een plaats waar in de jaren 1880 vele katholieken vermoord waren.
Een ander voorbeeld van nationalisering van het katholieke leven vinden we rond de Maria Bedevaartplaats Lavang.
De verschijning van Maria daar vond plaats in het jaar 1798, midden in een periode van zware kerkvervolging tijdens de Taison-rebellie.
Maria verscheen daar onder een grote bananenboom, niet ver van een dorp, ergens in centraal Vietnam.
Een plaats waar lokale gelovigen bijeen waren om te bidden.
De eerste schriftelijke verslagen stammen pas van veel later.
De eerste georganiseerde pelgrimages vonden in de jaren 1860 plaats, maar lang bleef La Vang slechts een lokaal bekend pedevaartsoord.
Pas in de koloniale periode werd het een steeds bekender wordend regionaal en nationaal bedevaartsoord.
Dat had natuurlijk te maken met de komst van de trein en de aanleg van betere wegen.
De bekendheid was ook een gevolg van de net beschreven opkomst van katholieke persorganen.
Vanaf de jaren 20 werd Lavang ook het reisdoel van door parochisch georganiseerde bedevaarten met de trein.
Een passagier omschreef zo'n trein eens als een rijdende kerk waarin onderweg veel werd gebeden en gezongen.
Dat La Vang nog steeds een belangrijke plaats inneemt onder de Vietnamese gelovigen blijkt wel uit de vele kerken die in de VS na 1975 gesticht zijn door Vietnamese vluchtelingen en die vaak getooid zijn met de naam Onze Lieve Vrouwen van La Vang.
Een ander voorbeeld van de nationalisering van het katholieke leven in Vietnam vinden we in de stad Pha Diem, wanneer daar in april 1928 het eerste regionale eucharistisch congres wordt gehouden.
20.000 gelovigen waren aanwezig bij de openingsmis.
Het eerste eucharistisch congres vond eind 19e eeuw in Frankrijk plaats.
En in de decennia erna verspreidde de beweging zich over de continenten.
Zo'n congres moet je zich voorstellen als een samenstel van grote processies, godsdienstige samenkomsten, kleinere studiebijeenkomsten, conferenties voor bepaalde doelgroepen, etc.
In 1931 vond in Hanoi het tweede eucharistisch congres plaats. Daar verdrongen zich ruim 100.000 katholieke afkomsten uit vele andere provincies.
In een beschrijving lezen we dat de processie rondom het heilig sacrament een scala aan regionale drachten, instrumenten en velerlei vaandels liet zien.
De missionaris Leopold Cadiere was erbij en hij was erg onder de indruk.
Hij beschreef de processie, citaat, als een stroom in de rivier van humaniteit.
Langzaam, kalm, plechtig vloeiend tussen twee oevers.
Een stroom met alle kleuren van de regenboog.
De lachende kinderen, de vurige jongeren, de majestueuze ouderen, de weeskinderen en de notabelen, de belangrijke mandarijnen van het land.
Tambourijnen, cymbalen, castalletten die uitnodigden tot dansen, hoogliederen, lofzangen en gebeden.
Dit alles in een onberispelijke orde.
Ernst en majestiteit, terwijl alle geluiden samen smolten in een alles overweldigende stilte.
Het laatste Eucharistisch congres vond in 1935 plaats in Saigon.
Toen herdacht men onder andere de marteldood van de honderd jaar geleden gestorven martelaar Jozef Marchand.
Over Jozef Marchand vertelde ik u uitvoerig in aflevering 7.
Ik liet net de naam van de missionaris Leopold Cadiere vallen.
Ik heb in de vorige aflevering het verhaal gehad over wat tijdgebonden en dus voor ons wat vreemde opvattingen die de Franse missionarissen als kinderen van hun tijd uit Frankrijk met zich meebrachten.
Ik realiseer me dat een en ander natuurlijk geen recht doet aan het leven van veel van die priesters waarvan de meesten toch maar hun gehele leven gewijd hebben aan het geestelijke en materiële welzijn van het volk van Vietnam.
Dus, na een korte pauze vraag ik nog even uw aandacht voor een klein monumentje dat ik hier voor Leopold Cadière wil oprichten.
[00:50:49] Speaker B: GELUID VAN MUZIEK. ZANG EN MUZIEK. Ik stond in de buurt van de sluiting. Mijn huisje lacht me af.
Ik vroeg of ik een nieuw verhaal kreeg. Een nieuw verhaal van gelukkigheid. Van mijn vrouw en een liefhebber. Maar dan kwam het verhaal. Zou em lees ouw tam kweng loe kou mong doi, mong doi. Ngai mai chi hong tam duien, ko sao an doi. Sai hien, kon chi tien thei ai un.
Loi doan thei sao dan kun.
[00:52:09] Speaker A: Leopold Cadière werd in 1869 in een dorpje vlakbij de stad Aix-en-Provence geboren in een in bescheiden omstandigheden levende boerenfamilie.
Na zijn middelbare schooldiploma in die stad behaald te hebben, ging hij naar het Grootseminarie.
En na zijn studie al daar afgerond te hebben, meldde hij zich in 1891 aan bij het seminarie van de Mission étrangère de Paris.
En vervolgens wordt hij naar koloniaal Vietnam gestuurd.
In centraal Vietnam zal hij tot aan zijn dood in 1955 meer dan zestig jaar verblijven.
Jaren die slechts onderbroken werden door korte verblijven in Europa.
Hij zal in Vietnam het leven leiden van een voorbeeldig zielzorger en een inspirerend seminariedocent.
maar hij zal bij het nageslacht vooral bekend blijven als een eminent geleerde.
Zijn onovertroffen kennis van land en volk zal betrekking hebben op de geschiedenis, de taal en de religies van Vietnam.
Als historicus, taalkundige en antropoloog schreef hij 150 boeken en wetenschappelijk artikelen.
Desalniettemin beschikte hij bepaald niet over een ijzersterke gezondheid.
Al in 1901 krijgt hij toestemming in Hongkong een rustperiode van zes maanden door te brengen.
Eind 1910 vertrekt hij met hartklachten naar Frankrijk.
Maar in plaats van rust te houden stort hij zich ook daar weer op de wetenschap.
Zo houdt hij voor een academisch publiek in Leuven lezingen.
Eén titel wijst op een missionaire gerichtheid, want die luidt Instruction pratique pour les missionaires qui font des observations religieuses.
Praktische richtlijnen voor missionarissen die religieuze waarnemingen doen.
Tijdens dit verblijf in Europa bezoekt hij archieven en bibliotheken met het doel de geschiedenis van de eerste contacten tussen Europeanen en het Koninkrijk van Hoe in de steigers te zetten.
Tijdens een tweede verblijf in Europa in de jaren 1928-1930 ontdekt hij in een Vaticaans archief het manuscript van het woordenboek dat Pater de Rood in de 17e eeuw samenstelde.
Over deze pater sprak ik al eerder, onder andere over zijn bijdrage aan het ontstaan van een Westerse alfabet voor het geschreven Vietnamese. Leopold Cadiere mag je rustig, denk ik, als een moderne de Rood beschouwen.
Cadiere heeft niet voor niets een bijzondere bewondering voor deze Jezuït, zowel voor de onvermoeibare missionaris als ook voor de taalkundige en historicus.
Zijn studie van de niet-christelijke religies in Vietnam beperkte zich overigens niet tot het boeddhisme en het Confucianisme.
Als etnograaf had hij met name belangstelling voor allerlei vormen van levend volksgeloof, voor traditionele magische volksgebruiken die hij bijvoorbeeld observeerde tijdens een cholera-epidemie.
Typerende publicaties dragen titels als Religieus geloof en praktijken in de omgeving van Hoeh, of Familie en religie in het anamitische land.
Zulke studies waren zowel gebaseerd op eigenwaarneming, op studie van orale bronnen, als ook op zijn bezoeken aan Vietnamese archieven.
Zijn gehele leven bleef hij obsessief bezig met de studie van het Vietnamese.
Hij schreef ooit, ik heb hun taal bestudeerd vanaf mijn aankomst hier en ik ben er tot de dag van vandaag mee doorgegaan.
Ik ben me steeds meer gaan beseffen dat de anamitische taal een grote mate van verfijning kent op het punt van de constructie en dat zijn rijke vocabulair bepaald niet versmaatst mag worden, zoals velen tegenwoordig wel doen.
Elders schreef hij over het belang van de taal.
De taal is de weerspiegeling van de geestesgesteldheid van een volk.
Zij weerspiegelt de gehele begripsvorming van de mens. Het is door de taal dat de mens leert denken en het is door de taal dat hij uitdrukt wat hij voelt en denkt.
De taal is voor de geest tegelijkertijd de gietvorm en de tolk.
Als wij dus willen weten wat de Vietnamesen denken, dan moeten we ons allereerst wenden tot hun taal.
Wanneer we zoiets lezen, realiseren we ons dat Leopold Cadière als wetenschapper en als priester veel dichter bij die Franse missionarissen uit de voorkoloniale tijd stond dan bij velen van zijn eigen generatiegenoten.
Ach, schreef hij ergens, voor de inlander zijn wij de vreemdeling, de man van een ander ras en van een andere religie.
We zijn voor hem de mensen die zijn goden aanvallen, vertegenwoordigers van een natie die hun vaderland onderworpen hebben, de landgenoten van bestuurders die verafschuwde belastingen opeisen.
Beste luisteraar, de laatste jaren van het leven van deze priester werden grotendeels in de gevangenis doorgebracht.
Eerst werd hij in het voorjaar van 1945 door de Japanners voor korte tijd gevangen gezet.
En daarna verdween hij, net als veel andere katholieken, gedurende de jaren 1947-1953 in de gevangenis van de communistische Vietminder.
Ten gevolge van dat gevangenisregime gaat zijn gezondheid hard achteruit.
Hij wordt in juni 1953 erg verzwakt vrijgelaten.
Hij overleed in 1955 op 84-jarige leeftijd in de oude keizerstad Hoek.
Met die Japanse bezetting en die terreur van de Vietmin ben ik bij een nieuwe dramatische fase van de Vietnamese geschiedenis aangekomen.
Daarover hoop ik u volgende keer verslag te doen.
Ik dank u weer zeer voor uw gewaardeerde aandacht.