Episode Transcript
[00:00:00] Speaker A: Beste luisteraar, weer welkom bij een nieuwe aflevering van mijn serie De katholieke van Vietnam.
Deze negende aflevering draagt de titel Over de kerk in het koloniale tijdperk.
Maar eerst weer een kort overzicht van het voorafgaande.
In de vorige aflevering probeerde ik in enkele grote lijnen een algemeen beeld te geven van het koloniale Vietnam.
De verovering van geheel Vietnam door de Fransen was in 1884 voltooid. Het land maakte samen met Laos en Cambodja deel uit van Frans-Indochina.
Er kwam een gecentraliseerd bestuur onder leiding van een autocratisch regerende gouverneur-generaal die alleen aan Parijs verantwoording schuldig was.
In Centraal en Noordelijk Vietnam ontstonden Franse protectoraten waar de keizer nog pro forma zijn functie bleef uitoefenen.
Het zuiden werd een directe Franse kolonie.
De Franse kolonisatie introduceerde een kapitalistisch productiesysteem in een samenleving die voor die tijd overwegend agrarisch was.
Er was enerzijds sprake van een aanzienlijke groei van de productie en een modernisering van de economie. We moeten dan denken aan zaken als de aanleg van havencomplexen, de groei van mijnbouw en industrie, de aanleg van wegen en spoorwegen en aan de grootscheepse stedenbouwkundige ontwikkeling in steden als Saigon en Hanoi.
Franse firma's als Michelin lieten in het zuiden enorme rubberplantages aanleggen.
Ook de bevolking groeide aanzienlijk door een dalend sterftecijfer.
Maar anderzijds, vooral het Vietnamese platteland, leidde de netgenoemde modernisering tot de ontwrichting van de traditionele boerendorpen, die bijvoorbeeld vaak hun gemeenschappelijk gebruikte gronden kwijtraakten.
Steeds meer boeren veranderden in landloze landarbeiders en de armoede nam daartoe.
Al in 1908 leidde de groeiende ontevredenheid tot een aantal boerenopstanden.
Die opstanden lieten overigens ook zien dat er tussen de boeren en de Franse machthebbers nog een derde partij was.
De Vietnamese mandarijnen en lagere functionarissen die een belangrijke rol bleven spelen in de inning van de belastingen die ze niet zelden ten eigen baten verhoogden.
Ik vertelde u dat de Fransen maar een zeer klein deel van de bevolking uitmaakten.
Op een bevolking van 21 miljoen in 1937 verbleven er maar 25.000 Fransen in het land.
Onder hen waren er circa 11.000 militairen en 4.000 ambtenaren.
Grote verschillen zien we optreden wanneer we het hebben over de houding die Vietnamesen innamen tegenover het Franse bewind.
Er waren Vietnamesen die geloofden in de zegeningen van het Franse koloniale bestuur.
Ik gaf daar een voorbeeld van.
Uiteraard waren er binnen de bovenlaag van de maatschappij ook Vietnamesen die een nationalistische overtuiging uitdroegen.
Maar binnen dat nationalisme zag je een grote verscheidenheid aan ideeën.
Het is verkeerd de Vietnamese geschiedenis alleen door de winnaars te laten schrijven, alsof die geschiedenis onvermijdelijk moest uitlopen op het communistisch regime dat in 1976 het noorden weer verenigde met het zuiden.
Toch besloot ik de vorige aflevering met een levensschets van de communist Ho Chi Minh, die in 1945 in Hanoi de Democratische Republiek van Vietnam uitriep.
En ik vertelde u hoe hij in Parijs gewonnen werd voor het Leninisme en daarna lange tijd in Moskou en China doorbracht.
In de periode voor 1945 ontwikkelde hij zich tot een gedreven agent van de Comintern.
Na 1945 stond hij centraal in de opbouw van een Vietnamese Stalinistische staat in het noorden, waarin politieke terreur en een katastrofaal verlopende landbouwcollectivisatie vele slachtoffers vroeg.
Hij zelf werd toen steeds meer het middelpunt van een zorgvuldig geconstrueerde leiderscultus.
Al dus mijn samenvatting van de vorige aflevering.
In deze aflevering ga ik nu, na een korte pauze, mijn licht laten schijnen over de ontwikkeling van de katholieke kerk in het koloniale tijdperk.
U hoort in deze aflevering weer korte pianofragmenten van Prokofjef.
[00:05:53] Speaker B: de de de de
[00:06:25] Speaker A: Met uitzondering van de vroegste jaren van de Frans koloniale periode bleef de kerk vrij van de verschrikkelijke vervolgingen die haar gedurende de negentiende eeuw getijsterd hadden.
Pas na de koloniale periode zouden de kerkvervolgingen weer beginnen toen de communisten in deze de rol van de keizer overnamen.
Toen de Fransen in 1885 heel Vietnam onder hun gezag hadden gekregen, leefden er circa 700.000 katholieken in het land, samen rond de 6 à 7 procent van de totale bevolking.
Verreweg de meeste leefden in Tonkin, in de noordelijk gelegen Rode Rivierdelta.
Katholieken in het noorden woonden veelal in katholieke dorpen.
Die katholieke dorpen kenden sociale structuren waarin katholieken dominant waren.
In de praktijk speelden priesters in zulke dorpen ook een belangrijke sociaal-politieke rol.
Uiteraard kwam het ook voor dat katholieken een minderheid vormden in een dorp.
In het zuiden leefden ongeveer honderdduizend katholieken.
Maar daarvan woonde de meeste vooral in Saigon en omgeving, in een meer stedelijke omgeving, ook meer gemengd met andere bevolkingsgroepen.
En ongeveer honderdduizend katholieken bewoonde tenslotte centraal Vietnam, met name in de keizerstad Hu en in de omgeving van die stad.
We zagen al in eerdere afleveringen hoe, ondanks de periodiek optredende vervolgingen in de loop van de 19e eeuw, het aantal Franse missionarissen in Vietnam bleef groeien.
Die groei had weer te maken met de opbloei van de kerk in het Frankrijk van na de revolutie. Franse missionarissen vonden hun werkterrein in Afrika, Azië en het Midden-Oosten, vaak in het voetspoor van Franse ontdekkingsreizigers en Franse handelaren.
In Frankrijk ontstonden nieuwe missionaire organisaties, als bijvoorbeeld de in 1822 opgerichte OPF, Oeuvre de la Propagation de la Voix.
Via allerlei nieuwe tijdschriften konden de gelovigen in Frankrijk kennis nemen van de resultaten van hun giften.
Maar vooral kon men lezen over de kerkvervolgingen onder keizer Ming Mang.
Die verhalen maakten in Frankrijk diepe indruk.
In 1840 verzamelde dat OPF 2,5 miljoen frank.
Rond 1890 was dat bedrag jaarlijks bijna 7 miljoen frank, waarmee overal in de wereld bijna 400 missionarissen ondersteund werden.
En dat alles had ook zijn positieve uitwerking op het aantal missionarissen in Vietnam.
In 1868, dus vlak na de Franse verovering van het zuidelijke Kochi in China, verbleven 68 Franse missionarissen in Vietnam.
Die waren uitgezonden door het Mission étranger de Paris.
Over dat missieinstituut, afgekort MEP, vertelde ik u eerder uitvoerig.
De groei van het aantal Franse missionarissen zette zich in de koloniale periode nog versterkt door.
In 1892 waren het er al 218 en in 1904 bijna 400.
Overigens werkten van ouds ook Spaanstalige priesters in Vietnam, vooral Dominicanen.
Zij verbleven in bepaalde gebieden in het noorden, met name in de stad Haiphong en omgeving.
In die stad zetelde ook een Spaanstalige missiebischop.
Veel van de Franse missionarissen waren afkomstig van het Franse platteland, in streken als de Elsas, Bretagne en de Midi.
Streken waar de kerk nog dominant was in de Franse samenleving.
Na het klein en groot seminariën doorlopen te hebben, kon men na de priesterwijding kiezen voor een missionair bestaan. En voor velen betekende dat dat men zich aanmeldde bij het seminariën van de MEP in de Parijse Rue du Bac, waar nog een opleiding van een jaar genoten werd.
Werd je bijvoorbeeld uitgezonden naar Vietnam, dan liep je meestal eerst een soort stage in een gewortelde katholieke gemeenschap waar een inheemse priester je wegwijs maakte in de taal en een oudere missionaris je na daar onderricht gaf over de plaatselijke omstandigheden.
Naar gelang je talenten kon je dan uitgezonden worden naar eigenlijke missiegebieden in Vietnam.
Waren je missioneringstalenten minder goed ontwikkeld, dan kon je ingezet worden in bijvoorbeeld stedelijke parochies met veel Fransen. Of je kon bijvoorbeeld docent worden op een school of kleinseminarie.
Vanaf het begin van de koloniale periode, vooral na de moeilijke jaren tachtig, was er zeker sprake van een kerkelijke opbloei.
De expansie van de kerk in de koloniale periode vond onder meer zijn weerslag in een omvangrijke kerkenbouw.
In de late negentiende eeuw begon men op grote schaal de oude houten kerkjes te vervangen door grotere en kleinere stenen kerkgebouwen.
Veel van die oude kerkjes waren tijdens de vervolgingen verwoest en slechts haastig en sloordig herbouwd.
In de periode 1875-1933 groeide het aantal kerkgebouwen in Vietnam van circa 900 tot 4500.
Veel van die kerken werden in neogotische stijl opgericht.
Voor het eerst kregen ze ook een kerkklok die of door een missionaris was meegebracht of vanuit Frankrijk was opgestuurd.
In het centrum van Hanoi en Saigon verschenen in de jaren 1880 zelfs imposante neogotische kathedralen.
Een enkele keer werd gestreefd naar een stijl die meer aansloot bij de Vietnamese traditie.
Nog steeds bezinswaardig is de Vaad Diem kathedraal, die in uiterlijke verschijning op het eerste gezicht op een boeddhistische pagode lijkt.
Maar na 1890 begon men onder leiding van de missionarissen ook met het oprichten van weeshuizen, ziekenhuizen, apotheken, leprakolonies en tehuizen voor zeer bejaarde en terminaal zieken.
Allemaal instellingen die in de keizertijd praktisch onbekend waren.
We zien een opmerkelijke groei van katholieke sociale instellingen.
In 1892 waren er onder MEP-leiding 44 weeshuizen en kinderdagverblijven met bijna 4.000 kinderen.
In 1922 waren dat er 85 met 11.000 kinderen.
Veel van die instituten werden bemand door congregaties als die van de zusters van de heilige Paulus van Chartres, waar Franse zusters de bestuurlijke functies vervulden en waar Vietnamese zusters het uitvoerende werk deden.
Een veel oudere zuster congregatie was die van de minaresse van het heilig kruis, waar ook de leiding in handen was van Vietnamese zusters.
Het aantal ziekenhuizen nam in die periode toe van 13 naar 49.
Enzelfde spectaculaire ontwikkeling zag men op onderwijsgebied.
In 1898 herinnerde het hoofd van een kleinseminarie zich nog dat een halve eeuw eerder het desbetreffende seminarie gevestigd was in een grote bouwvallige buffelstal.
En dat het seminarie soms meer weg had van het ziekenhuis door het grote aantal zieke studenten.
Naast de periodiek optredende dreiging van geweld en vervolging, hadden de studenten dus in die precoloniale tijd ook te maken met miserabele materiële omstandigheden.
Maar in het begin van de 20e eeuw waren alle klein- en grootseminaries gevestigd in stenen gebouwen.
Ons valt trouwens ook op dat in de grootseminaries vaak ook onderricht werd gegeven in het klassiek Chinees.
De groei in het lekenonderwijs was zodanig dat het katholieke onderwijs even omvangrijk was als het onderwijs dat onder het koloniale gezag viel.
De katholieke elitescholen in de grotere steden stonden vaak onder leiding van de frères des écoles chrétiennes, een broedercorrigatie die pas na de komst van de Fransen in Vietnam opgericht was.
In hun scholen waren overigens niet alle leerlingen katholieken.
De korte muziekfragmenten in deze aflevering zijn opnieuw uit de pen gevloeid van de Russische componist Prokofjev.
Het betreft weer korte pianostukjes uit zijn Vision fugitif, gespeeld door Laurent Cabasso.
[00:16:38] Speaker B: MUZIEK
[00:17:15] Speaker A: Maar de Vietnamese kerk kreeg in deze periode ook te maken met allerlei soorten spanningen en problemen. Interne spanningen tussen de Vietnamese klerens en de Franse missionarissen.
Externe spanningen tussen de kerk en het koloniale gezag.
Eerst een paar woorden over die interne spanningen.
We zien zich in de loop van de tijd binnen de kerk een opvallende mentale verschuiving voordoen.
Ondanks de geregeld voorkomende vervolgingen en verbanningen namen de meeste Franse missionarissen in de voorkoloniale tijd veel van de culturele en sociale kenmerken van de Vietnamese omgeving over.
Zij droegen Vietnamese kleding, namen vaak Vietnamese namen aan en aten en leefden gemeenschappelijk met hun Vietnamese medepriesters en met de katechisten. Ook waren zij doorgaans verdraagzaam tegenover allerlei lokale culturele fenomenen wanneer die niet overduidelijk in strijd waren met het katholieke geloof.
Missionarissen en inheemse priesters speelden gelijkwaardige rollen in het leven van parochie en dorp en werden ook als gelijkwaardig door de gelovigen gezien.
Maar in de loop van de negentiende eeuw, maar vooral in de koloniale periode, is dat langzaam gaan veranderen.
Uit de bronnen kunnen we aflezen dat de sociale afstand tussen de Franse missionarissen en de inheemse priesters in de koloniale periode groter werd.
De inheemse priesters werden steeds meer als louter hulptroepen van de missionarissen gezien.
En dat ging zich zelfs vaak uiten in verschil in aanspreektitels.
Vaak begon men zelfs gescheiden te wonen en te eten.
Zelfs retraiters werden doorgaans gescheiden georganiseerd.
Een neerbuigende of sceptische houding tegenover de inheemse klerens gaan we vaker aantreffen in schriftelijke bronnen.
Zo schrijft de Franse bischop van Saigon in 1906 De inheemse priester is gehoorzaam, respectvol en het is gemakkelijk hem leiding te geven.
Hij vervult ijverig de functies van zijn ambt en preekt en kategoriseert met zorg.
Maar helaas, ze zijn nog behept met de zwakheden van hun ras.
Ze zijn ijdel en zelfingenomen, niet altijd eerlijk.
En als er een paar gericht zijn op het redden van zielen, geldt dat niet voor de meerderheid.
Tenslotte, ze geven het vaak zelf toe, zullen zij nog voor langere tijd ongeschikt blijven voor zelfbestuur.
De dag dat de missie onder hun bestuur komt, zal dat het einde van de missie betekenen.
Al dus, de woorden van deze Franse bischop, als voorbeeld van wat een hedendaagse historicus treffend de kolonisering van de Vietnamese kerk noemde.
Ik kom in de volgende aflevering overigens nog te spreken over een verrassend vanuit Rome ingezette kerkelijke decolonisering.
Maar het kan ons natuurlijk niet verbazen dat er soms ook sprake was van ernstige conflicten.
In een brief uit 1909 jammerde de bischop van Fatiem Wist je dat het op dit moment helemaal geen uitzondering is wanneer je ziet hoe in onze missie de inheemse klerus zijn best doet om verlost te raken van de Franse missionarissen?
Wist je dat er in ons bisdom priesters zijn die overwegen hun ambt neer te leggen om naar hun familie terug te keren?
Dat doen ze liever dan de behandeling te verduren die ze uit handen van de missionarissen ontvangen.
In het Engels vertaalde Memoires van de communist Tran Tu Binh trof ik daar een voorbeeld van.
Deze Binh kwam uit een katholiek dorp en heeft in zijn jeugd gedurende de vroege jaren 1920 op een klein seminariën doorgebracht.
Hij schrijft later met afgrijze over de Canadese priester Khui die er de leiding had.
Deze priester zou zich vaak minachtend uitgelaten hebben over de Vietnamese studenten.
In die koloniale tijd sprak men in Franse kringen overigens niet over Vietnamesen, maar over Anamieten.
Anamieten waren volgens deze Francophone-Caddeese priester doorgaans onwetend, dom, lui en stalen uitgewoonden.
Deze Tran Tu Min heeft het later tot generaal en ambassadeur in communistisch China geschopt. Over zijn memoirs kom ik later nog te spreken. Ze werden in de jaren zestig gepubliceerd en zijn zeker niet vrij van propagandistische overdrijving. Maar de koloniale mentaliteit van deze Pa Ta Kwi komt wel overeen met wat we ook bij serieuze geschiedschrijvers kunnen vinden.
De opvattingen van de missionarissen over bepaalde binnenlandse culturele verschijnselen werden ook strenger.
Een aantal verklarende factoren die daarbij een rol gespeeld hebben, vond ik in het prachtige boek van de Amerikaanse historicus Charles Keat.
Ten eerste, zegt hij, is het aantal Europese priesters in de loop der tijden geweldig gegroeid.
Daarmee ook de materiële voorzieningen waarover zij konden beschikken.
In vroegere tijden waren zij afhankelijker van hun Vietnamese collega's. En natuurlijk waren er de typisch 19e eeuwse opvattingen op het gebied van nationalisme en raciaal getinte overtuigingen, die de nieuwe generatie missionarissen steeds meer als geestelijke bagage uit Europa meenamen.
Er leek rond 1900 wel een soort generatiekloof op te treden tussen de missionarissen die al langer in het land verbleven en de gruwelen van de vervolging hadden doorstaan en de nieuw aangekomenen.
De ouderen beoordeelden de jongeren vaak als aanmatigend en onwetend.
In 1907 kunnen we in een brief van een bischop lezen hoe deze klaagt over het gebrek aan respect van nieuw aangekomenen voor de bestaande missiekultuur.
Hoe zij al vlak na hun aankomst gemakkelijke oordelen uitspraken over mensen en toestanden gebaseerd op de impressies van het moment.
En deze bischoppelijke briefschrijver is bang dat dat niet goed valt in een land waar hierarchie gebaseerd op leeftijd een belangrijk element vormt in de sociale relaties.
De nieuwe generatie missionarissen kwam uit een moderne Frankrijk en waren een meer luxueuzer leven gewend.
De net aangegeven groeiende sociale afstand tussen de missionarissen en de Vietnamese priesters werd ook nog eens versterkt doordat de nieuwkomers er als vanzelf van uit gingen dat iedereen Frans sprak.
Maar de meeste Vietnamese priesters spraken geen Frans, althans niet heel makkelijk Frans, terwijl een deel van die jongere missionarissen grote moeite hadden het Vietnamese enigszins onder de knie te krijgen.
We lezen ook over incidenteel extreem gedrag.
Zo stakken missionaris in de vroeg koloniale tijd in een pas katholiek geworden dorp twee pagodes in de brand en confiskeerden niet-katholieke sacrale voorwerpen.
De dorpelingen die zich niet bekeerd hadden begonnen de pagodes te herbouwen en namen de geconfiskeerde zaken met geweld weer terug.
Vervolgens wenden de missionarissen zich tot Franse functionarissen met een aanklacht van diefstal.
Hij verloor zijn zaak en moest de zaken teruggeven en een schadeopgoeding betalen.
Natuurlijk was dit soort gedrag uitzonderlijk.
De meeste missionarissen probeerden in soortgelijke situaties de pagodes of tempels te kopen, soms om ze in kerken te transformeren.
[00:26:51] Speaker B: MUZIEK
[00:27:25] Speaker A: Het beeld van de katholieke loyaliteiten wordt naarmate de Vietnamese geschiedenis voortging complexer en diffuser.
Maar ook de relatie tussen kerk en de koloniale overheid is niet in eenvoudige zwart-wit tinten te tekenen.
Prachtig en geleerd boek dat gaat over de Vietnamese kerk in de Franse tijd is het boek Catholic Vietnam, A Church from Empire to Nation.
Met empire wordt het keizerrijk bedoeld en met nation het beeld dat Vietnamese nationalisten van hun land begonnen te ontwikkelen.
Het boek kwam in 2012 uit en werd geschreven door de Amerikaan Charles Keat.
Een groot deel van dit indrukwekkende boek handelt dus over de koloniale periode van na 1883, maar uiteraard beschrijft hij ook de 19e eeuwse aanloop.
Keith maakte voor zijn studie gebruik van een enorme hoeveelheid bronnen.
Vietnamese bronnen, wereldelijke en kerkelijke Franse bronnen en bronnen die hij in Romeinse archieven aantrof.
Op basis van al dat materiaal bestrijdt hij met name het idee dat de Vietnamese kerk altijd een cultureel vreemd en antinationaal lichaam is geweest.
Hij bestrijdt dus dat er altijd een natuurlijke en onoverbrugbare kloof heeft bestaan tussen de kerk en het authentieke Vietnam.
Dat zijn volgens hem mythes die het in nationalistische en communistische milieus wel goed deden en doen, maar die weinig te maken hebben met de complexiteit van de historische werkelijkheid.
Een inleidend voorbeeld van een en ander verschafte ons een fascinerende foto uit zijn boek.
Die foto werd op 18 oktober 1909 genomen.
Dus op een moment dat het Franse koloniale bestel al enkele decennia bestond.
Ik zie op deze foto drie Vietnamese priesters staan.
Hun handen zijn vastgebonden en ze dragen een soort juk om hun nek en ze worden bewaakt door drie politieagenten die duidelijk ook van inheemse afkomst zijn.
Vaag op de achtergrond houdt een Franse geuniformeerde officier de zaak in de gaten.
In het boek lees ik dat deze drie priesters net de centrale gevangenis van Saigon verlaten hebben en op het punt staan ingescheept te worden.
Samen met hun bewakers zullen ze met een stoomschip vervoerd worden naar een beruchte gevangenis op het eiland Paulo-Condoren.
De drie priesters waren veroordeeld tot 9 jaar gevangenis met dwangarbeid.
Een van hen zal later in de gevangenis overlijden.
Waarom hadden die priesters die langjarige straf gekregen?
Was hier weer sprake van geloofsvervolging?
Nee, de tijd van de echte geloofsvervolgingen, dat was gelukkig voorlopig voorbij.
De drie waren veroordeeld omdat ze actief steun hadden gegeven aan een illegale, antikoloniale organisatie die onder leiding stond van de nationalistische intellectueel Van Boy Chau.
Over die Chau heb ik het in de vorige aflevering gehad. Hij vertegenwoordigde een radicale variant van het Vietnamese nationalisme.
Onder dekmantel van hun activiteiten als parochiepriesters hadden de drie geld ingezameld, tractaatjes rondgedeeld en nieuwe aanhangers geworven.
Onder de Vietnamese klerens hadden ze anonieme brieven verspreid waarin katholieken werden opgeroepen tegen de Franse overheersers in verzet te komen.
In een van die brieven stond bijvoorbeeld het volgende te lezen.
Tegenwoordig is de natie verloren.
De Heer Jezus wordt niet langer beschermd. De kerk is dus in gevaar.
Om de Heer te beschermen moeten we de natie verdedigen, moeten we de Fransen bestrijden.
Aanhangers van Christus zouden met alle mogelijke middelen, arbeid of bezit, moeten bijdragen in de strijd tegen de Fransen, om zo zowel vaderlandsliefde als ook hun liefde voor de Heer te laten zien.
In dit soort teksten zien we goed hoe godsdienstige en politieke overwegingen volkomen met elkaar vervlecht worden.
Natuurlijk, beste luisteraar, wil ik aan de hand van deze foto niet beweren dat deze priesters in hun radicale, anticoloniale inzet volledig model kunnen staan voor de houding van de totale Vietnamese klerens.
Dat wil Keith ook helemaal niet beweren. Dat de inheemse klerens in meerderheid zich zou bezighouden met revolutionaire activiteiten, dat was natuurlijk niet zo. Wel kunnen we uit deze studie leren dat zekere antikoloniale sentimenten, ook onder de Vietnamese geestelijkheid en vooral onder de jongere geestelijkheid en onder de meer ontwikkelde gelovigen, vooral onder jongere ontwikkelde gelovigen, bepaald niet uitzonderkwaarden.
Maar, en nu zie je de verhoudingen complexer en diffuser worden, ook de relatie tussen de Franse missionarissen en het koloniale gezag was niet altijd harmonieus.
We zagen net al hoe een missionaris die duidelijk buiten zijn boekje was gegaan, gewoon door de Franse overheid veroordeeld werd.
Wanneer ik voor u met zeven mijlslaarzen door het Vietnamese verleden stap, ligt het gevaar natuurlijk op de loer dat we haast vanzelf dat complexe verleden versimpelen.
En daarin moeten we dus waakzaamheid betrachten.
Na een korte pauze met de hulp van Charles Keat nog een woordje over de relatie tussen de kerk en het koloniale gezag.
[00:34:54] Speaker B: MUZIEK.
[00:36:27] Speaker A: Ik vertelde u in een vroegere aflevering hoe in het begin van de twintigste eeuw op het kerkplein voor de kathedraal van Saigon, in de aanwezigheid van kerkelijke en politieke autoriteiten, een stambeeld werd onthuld, gewijd aan de nagedachtenis van de achttiende-eeuwse Franse missiebischop Pigneau de Beyen.
De bischop stond daar levensgroot met een beschermende hand op de schouders van het jonge Nguyen prinsje.
Het stambeeld kon zo natuurlijk prachtig het idee belichamen dat deze bischop symbool stond voor de verbinding tussen Frankrijk en haar koloniale volkeren.
Voor de verbinding tussen de liefde voor Frankrijk en de liefde voor God.
En zelfs symbool kon staan voor de verbinding tussen de republikeinse beschavingsidealen en de idealen van de christelijke liefde.
Ik vertelde u eerder al uitvoerig over het leven van Pio en hoe deze man later ten oorrechte als een soort kwartiermaker van het Franse kolonialisme werd voorgesteld.
Een andere gelegenheid waarop Franse kerkelijke gezagsdragers en Franse koloniale autoriteiten dit soort retoriek konden spuien, deed zich voor in 1927, toen op tal van plaatsen herdacht werd dat pater Alexander de Rood drie eeuwen geleden voor het eerst voet op Vietnamese bodem had gezet.
Ook over deze Jezuit heb ik in eerdere afleveringen uitvoerig verteld.
In toespraken en artikelen werden in 1927 niet alleen zijn bijdrage aan de katholieke kerk genoemd, maar de sommige werd hij ook als voorloper van Frankrijkse rol in Indochina geëerd.
Zo schreef ene generaal Bonifaci dat de pater in dienst van de godsdienst ook de wetenschap en de beschaving vooruit had geholpen en zo Frankrijk haar belangrijke rol op het Indochinese schiereiland had geschonken.
In 1941 sprak een functionaris bij de onthulling van een gedenkteken over de pater als iemand die, citaat, zijn leven had gewijd aan de intellectuele vereniging van de blanke en de gele volkeren en aan de geestelijke vereniging van het oosten en het westen.
alles pais en vree, zo zou het kunnen lijken.
Maar de werkelijkheid zag er toch vaak wat anders uit.
In de loop van het koloniale tijdperk is er sprake van een groeiende tegenstelling tussen de katholieke en de koloniale visie op de beschavingsmissie van Frankrijk.
In Frankrijk zelf was na de Frans-Duitse oorlog van 1870-71 de zogeheten derde republiek ontstaan.
En die derde republiek werd het toneel van een heftig conflict tussen een seculier republikeins Frankrijk en een meer conservatief katholiek Frankrijk. Men sprak toen wel over de guerre des deux France, een oorlog tussen de twee Frankrijken.
In de twee kampen rondom de Draaifusaffaire kun je die tegenstelling in zekere zin ook zien.
Hoogtepunt van de conflicten was de aanname door een linkse parlementaire meerderheid van een wet op de scheiding tussen kerk en staat in het jaar 1905.
En in die tijd werden veel congregaties en kloosteroordes gedwongen uit Frankrijk te vertrekken naar landen als Duitsland en Nederland.
In die tijd ontstond bijvoorbeeld bij ons in Oosterhout de bekende Benedictijner abdij Sint Paulus.
Dat waren in eerste instantie dus Franse monniken.
Een belangrijk deel van het Franse politieke establishment was dus anticlerikaal ingesteld.
En hoewel die anticlericale politiek in de Franse koloniën slechts in gematigde vorm werd ingevoerd, vertoonden ook in Vietnam veel hooggeplaatste functionarissen in het bestuur en het militaire apparaat een anti-katholieke gezindheid.
We zien in Vietnam met name ook een sterke invloed van een groeiend netwerk van vrijmetselaars.
In de Franstalige pers in Vietnam was die invloed goed zichtbaar.
Belangrijke kranten als Le Courrier Daiphong in het noorden of Le Mécon in het zuiden hadden eigenaren en redacteuren uit die kringen.
In dat soort kranten werden de katholieken vaak voorgesteld als agenten van een buitenlandse macht.
In deze kranten werden missionarissen soms voorgesteld als lieden die de ware economische vooruitgang in de weg zouden staan, die zichzelf ten koste van de Vietnamesen verrijkten en ook de katholieke scholen zouden er vooral op uit zijn de Vietnamesen onwetend te houden.
Andersom begon men in missiekringen herhaaldelijk aspecten van de koloniale politiek te bekritiseren.
Kijkmerkend was een spotprint die de katholieke krant L'Avenir du Tonkin in de kersttijd van 1906 publiceerde.
Onder het plaatje stond de tekst Onze gaven voor het nieuwe jaar.
En we zien, op dat plaatje zien we Vietnamese chauwers zuchtend onder het gewicht van zware kisten lopen. Met op die kisten opschriften als belastingen, monopolies, leugens en eigenbelang. Met op al die kisten een vijfpuntige vlammende ster.
Eén van de symbolen van de vrijmetselarij.
Die monopolies overigens waren staatsmonopolies op zaken als zout en opium, die inderdaad funest waren vooral voor het platteland.
We zien in de katholieke pers regelmatig kritische artikelen over de erbarmelijke toestand waarin het platteland zich bevond.
Zo schreef de bischop van Wyn in 1906 Cholera en honger hebben duizenden katholieken dit jaar weggenomen.
Ik hoor over parochies die meer dan 10% van hun mensen verloren hebben.
En we zijn nog niet aan het eind.
De missionaris Victor Aubert schreef veel later, in 1938, dat zijn parochie op een levend kerkhof leek van rondgaande lijken en wandelende skeletten.
De meesten van hen hebben al dagen niets meer gegeten.
En hij bekritiseerde het feit dat sociale ondersteuning in het land erg gebrekkig was.
Het meest opzienbare in het terrein waarop kerk en staat botsten was net als in het moederland het katholieke onderwijs.
Dan ging het bijvoorbeeld over het intrekken van subsidie door de koloniale raad in Saigon, nadat de bischop daar in het openbaar zijn twijfel had uitgesproken over het nut van het vak Frans op de lagere scholen.
Vaak gingen conflicten over gebrek aan financiële ondersteuning door de koloniale overheid.
allerlei andere conflicten laaiden in de loop van de tijd op, bijvoorbeeld over het door de koloniale overheid ingevoerde voor alle onderwijzers verplichte brevet d'études.
En toen de eerste katholieke middelbare school dreigde te gaan functioneren onder leiding van een Zwitserse onderwijsoorde, werd dat door de onderwijsautoriteiten aangegrepen om de start van die school te dwarsbomen.
Andersom zien we in Vietnamese katholieke kring soms kritische geluiden over het koloniale onderwijs.
In het blad van de Vietnamese priesters schreef iemand in de jaargang 1929 dat wanneer in het staatsonderwijs Christus naar sprake kwam, dat altijd in negatieve zin gebeurde op die scholen. En dat in plaats van Christus, Stevast, Rousseau, Voltaire, Victor Hugo en Émile Zola als werkelijke heiligen in de klaslokalen figureerden.
Kortom, in de loop van de tijd was de relatie tussen de kerk en de koloniale overheid bepaald niet altijd goed te noemen. In de loop van de tijd groeide kerk en koloniaal gezag verder uit elkaar.
Maar dat had ook te maken met een ontwikkeling binnen de Vietnamese kerk.
Een ontwikkeling die sommige historici wel heraangeduid hebben als de decolonisering van de Vietnamese kerk.
Maar daarover in een volgende aflevering.
Ik dank de luisteraar weer voor zijn of haar gewaardeerde aandacht.