Episode Transcript
[00:00:00] Speaker A: Beste luisteraar, een goede dag.
Hartelijk welkom bij een nieuwe aflevering van de Ladder van Jacob.
U gaat luisteren naar het eerste deel van een driedelige serie over de Engelse cultuurhistoricus Christopher Dawson.
Dawson was in de decennia voor het Tweede Vaticaanse Concilie een prominent katholiek geleerde.
Niet alleen in de anglo-saxonsche wereld, maar ook ver daarbuiten.
Zo werden veel van zijn boeken ook in het Nederlands vertaald en in kranten en tijdschriften besproken.
Hij heeft een aantoonbare invloed gehad op christelijke schrijvers als T.S. Eliot en C.S. Lewis en op nog vele andere.
Dawson heeft lange tijd een groot, met name katholiek, lezerspubliek gehad, vooral in de periode tussen 1930 en 1960.
De belangstelling voor zijn werk leek lange tijd wat weggeëbd, maar de laatste jaren lijkt zijn werk, vooral in de Verenigde Staten, weer herontdekt te worden.
Een belangrijke vraag die de lezer van zijn werk vaak bij zichzelf voelt opkomen is wat er met een cultuur gebeurt die zijn religieuze kern ziet wegsmelten.
Een van de kernwoorden bij Dolson is dan ook het woord secularisering.
Een begrip waar we in de derde uitzending dan ook nog uitgebreid op terugkomen.
En als u dat woord secularisering hoort, dan kunt u al gaan vermoeden dat het werk van Dolson nog geweldig relevant is, ook voor deze tijd.
Dolson was een historicus van de grote lijn.
Hij schreef vooral boeken waarin hij de relatie onderzocht tussen religie en cultuur.
En natuurlijk vooral de relatie tussen het christendom en de westerse cultuur.
Dolson gebruikt het woord cultuur niet in engere zin, van bijvoorbeeld kunst en literatuur, maar meer in de zin van beschaving.
Wil men een cultuur begrijpen, dient men met de religie te beginnen, is een belangrijk uitgangspunt van Dolson.
of om het met een uitspraak van een 19e eeuwse katholieke historicus te zeggen, Lord Acton, de religie vormt de sleutel tot het begrijpen van de geschiedenis.
In deze uitzending krijgt u een inleiding in de figuur van Christopher Dawson. We doen dit op twee manieren.
Eerst geef ik een kort schets van zijn sociale achtergrond en zijn jeugdjaren.
Voor een volledige levensbeschrijving hebben we hier niet genoeg ruimte, maar het nu volgende zal, hoop ik, voldoende zijn om de man enigszins voor u neer te zetten.
En vervolgens laten we zien hoe Dawson als cultuurhistoricus de relatie ziet tussen godsdienst en cultuur.
En hoe zijn denken nauw verbonden is met katholieke opvattingen over de mens als een van nature godsdienstig wezen.
Christopher Dawson werd in 1889 geboren in een Anglikaans gezin dat in die dagen gehuisvers was in Hay Castle, een oorspronkelijk uit de twaalfde eeuw stammend kasteel gelegen in het grensgebied van Engeland en Wales.
De dorpelingen spraken Engels, maar op marktdagen, nadat de boeren met hun producten de heuvels afgedaald waren, klonk er overal in het plaatsje Welsh.
De hoofdbewoner van het kasteel is zijn grootvader van moederszijde, de Anglikaanse aardsteken William Bevan, die zijn progianen pleegde bezoeken gezeten in een hondenkar.
Hoewel niet onbemiddeld overheerst bij zijn grootvader een sobere levensstijl.
Grootvader William leest Latijn, Grieks, Frans, Duits, Noors en Nederlands.
Op latere leeftijd begint hij Hebraeus te studeren.
Naast zijn kerkelijke taken heeft hij ook nog tijd om enkele geografische schoolboeken te schrijven.
De vader, Henry Dawson, is een Britse officier die in opdracht van het leger veel ontdekkingsreizen maakt door Latijns-Amerika en het Poolgebied.
Zijn moeder, Mary Bevan, is een groot kenner van de geschiedenis van en cultuur van Wales.
Zij vertaalt Wales-poëzie in het Engels en heeft met name een grote belangstelling voor de heiligen uit deze streken.
Later schrijft Dawson over de invloed van zijn moeder in een autobiografisch geschrift dat, en ik citeer, niemand zoveel te danken kon hebben aan indrukken uit zijn vroegste jeugd als ik.
In feite verwierf ik toen al mijn liefde voor de geschiedenis, mijn belangstelling voor culturele verschillen en mijn besef van het belang van de godsdienst in het menselijk leven.
Als een indrukwekkende, echt bestaande en onbetwistbare macht dat overal in doordrong en dat zijn stempel zowel op de uiterlijke wereld als op het innerlijk drukte.
Het gaat hier om een soort milieu dat tegenwoordig denk ik niet meer bestaat.
Mensen die zeer welgesteld zijn, maar werken uit plichtsbetrachting. In bijvoorbeeld de kerk, het leger of het bestuur.
Grootvader Bevan had een enorme bibliotheek, die Dolson later ook erft.
Voor het schrijven van veel van zijn boeken kon hij alleen al met die bibliotheek ver komen.
Tijdens de korte muzikale pauzes in dit programma laat ik fragmenten horen van een pas verschenen cd die de contratenor Filip Jaruzki wijde aan enkele sacrale cantates van Bach en Telemann.
Tijdens de eerste drie pauzes hoort u fragmenten uit Telemanns Die Stiele Nacht.
Deze cantate gaat niet over kerstmis, maar over Christus in de Hof van Olijven aan de vooravond van zijn lijden.
Eerst de aria Ich bin betrübt bis in der dood. U hoort achter de stem van Filip Jarowski leden van het Freiburger Barokorchester.
[00:07:04] Speaker B: Ik ben verdrietig tot de dood. Tot de dood. Ik ben verdrietig tot de dood. Tot de dood. Ik ben verdrietig, verdrietig tot de dood.
is in den Tod.
Meine Seele, wie verzogen, wie verzogen, die Gebeine sind zerschlagen, Wie is omringd met heulenhoed? Wie is omringd met heulenhoed?
Wie is omringd met heulenhoed?
ZANG EN Er trübt bis in den Tod. MUZIEK Bis in den Tod. Ich bin er trübt, er trübt bis in den Tod.
Bis in den Tod.
MUZIEK
[00:09:45] Speaker A: Wanneer Christopher zeven jaar oud is, zijn vader heeft de dienst inmiddels verlaten, vestigen zijn ouders zich op het vooroudelijk domein Harlington Hall in Yorkshire in Noord-Engeland.
Ook hier leidt hij een harmonieus kinderleven.
Later zal hij schrijven over die afgezonderde en afgeschermde jongensjaren waarin ik uitzonderlijk gelukkig was.
met name een sterk romantische beleving van de relatie tussen de natuur en de schepper, is hem later bijgebleven.
In datzelfde autobiografische geschrift schrijft hij, Godsdienst had niet simpelweg alleen te maken met de vrome zedelijkheid die in de Victoriaanse kinderboeken zo geprononceerd aanwezig was, maar stond dicht bij die wonderlijke niet-menselijke wereld van de rivier en de berg die ik rondom me heen aantrof.
maar ook romantische gevoelens over een ver verwijderd religieus verleden, opgeroepen door de vele kloosterruïnes die Engeland rijk is, laten een diepe indruk op het kind achter.
Regelmatig kan men de jonge kwester voor aantreffen, gebogen over de met illustraties van Botticelli versierde uitgaven van de Divina Comedia uit de bibliotheek van zijn vader.
In 1925 zou hij in een brief aan een vriend schrijven dat hij niets van zijn middelbare school en bijna niets van Oxford had meegekregen, maar dat hij zijn gehele vorming en zijn persoonlijke geluk uitsluitend te danken had aan dat vaak zo bespotte huiselijke Victoriaanse plattelandsbestaan.
In zekere zin is Dawson zijn hele leven een typische country gentleman gebleven.
In zijn werk is de afkeer van grote steden, kooplieden en een bourgeois bestaan soms nog goed na te voelen.
Aan die gelukkige jeugd kwam een abrupt einde toen zijn vader besloot het in dit soort milieus voor jonge kinderen gebruikelijke huisonderwijs te beëindigen en Christopher naar een kostschool te sturen.
Net als iemand als C.S. Lewis haatte hij zijn verblijf daar van de eerste tot de laatste dag.
Omgeven als hij was door, zoals hij later schrijft, een hoorde wilde, zonder gemeenschappelijke belangstelling, ideeën, overtuigingen of tradities.
Zijn gezondheid leed er merkbaar onder.
Op zijn vijftiende vertrok hij naar Winchester College, waar hij iets beter kon aarden, al was hij ook over dit onderwijs later niet echt te spreken.
In zijn in 1952 gepubliceerde boek Understanding Europe schrijft hij dat hij van de talloze bezoeken aan de kathedraal van Winchester meer leerde dan van de vele uren godsdienstles op school.
en schrijft in het voorwoord van het boek.
Die grote kerk met graven van Angelsactische koningen en Middeleeuwse staatslieden-bischoppen gaf iemand een beter begrip van de voornaamheid van het godsdienstelijke element in onze cultuur en van zijn diepe verankering in ons nationaal leven dan uit boeken veel te leren.
Hij betrof hier niet alleen een verbreding van iemands historisch begrip, het verdiepte ook iemands geestelijk aanvoeden van de godsdienst als een objectieve werkelijkheid die de persoonlijke ervaring verre te boven ging.
Vooral wegens het gordrogen soort protestantisme dat hij tijdens het godsdienstonderwijs opgediend krijgt, vervreemd hij overigens een tijdje van het christendom.
Wegens gezondheidsproblemen moet hij Winchester verlaten en krijgt dan les van privéleraar tot hij in 1908 in Oxford begint te studeren.
Wanneer Dawson in een van zijn boeken de pas in Oxford gearriveerde John Henry Newman beschrijft als een door grote ernst en uiterste verlegenheid wat eenzame en stille jongen, geeft hij daarmee in feite ook een zelfportret.
Een wat bleke, fragiele jongen die in sociaal opzicht erg onzeker is en zich bij geen enkele studentenfactie thuisvoelt.
Ook op latere leeftijd was Dolson trouwens een uiterst verlegen man.
Gestimuleerd door studie en contacten begint Dolson in Oxford zijn geestelijke reis naar de katholieke kerk.
Naast lezing van talloze klassieke katholieke werken, vooral de Stadgods van Augustines maakt een diepe indruk op hem, verdiept hij zich grondig in de Bijbel.
In de zomer van 1909 ontmoette hij zijn toekomstige echtgenote, het 18-jarige katholieke meisje Valerie Mills.
Wie enig zicht probeert te krijgen op de weg naar de katholieke kerk die Dawson die jaren aflegt, doet er overigens goed aan vooral naar diens intellectuele ontwikkelingsgang te kijken.
Die is bij een man als Dawson ongetwijfeld veel zwaarwegender geweest dan de invloed van sociale contacten en zijn aanstaande huwelijk met een katholiek meisje.
Bij die zuiver persoonlijke overwegingen moeten trouwens ook negatief uitwerkende factoren van minstens even groot belang zijn geweest, als zijn gevoelens voor Valerie.
Want het uiteindelijke besluit om zich in januari 1914 in de katholieke kerk op te laten nemen, heeft de relatie met zijn moeder en met andere familieleden grote schade toegebracht.
Naast die pijn is er het besef dat de vooruitzichten op een wetenschappelijke loopbaan er in het Engeland van die dagen bepaald niet beter op zouden worden.
Vele deuren zullen inderdaad lange tijd voor Dawson gesloten blijven.
Lange jaren heeft deze eminente geleerde op een tweederangs onderwijsinstituut zijn slecht bezochte colleges moeten geven.
Een aanstelling bij de Universiteit van Leeds ging bijvoorbeeld niet door als gevolg van een veto door de plaatselijke Anglikaanse bisschop.
Wij kunnen Dawson dus gerust geloven wanneer hij ons meedeelt dat langjarige studie en diepgaande overwegingen hem tot de kerk gebracht hebben.
Zo schrijft hij later Het was vooral door de studie van de heilige Paulus en de heilige Johannes dat ik voor het eerst de fundamentele katholieke eenheid van leer en leven begon te begrijpen.
Ik begon te beseffen dat de incarnatie, de sacramenten, de uiterlijke inrichting van de kerk en de innerlijke werking van de zaligmakende genade delen waren van een organische eenheid, van een levende boom die zijn wortels heeft in de goddelijke natuur en waarvan de vruchten de volmaakte voorbeelden van de heiligen zijn.
Dat geestelijke ontwikkelingsproces heeft jaren geduurd.
Een bezoek aan Rome in de Goede Week van 1909 maakte veel indruk.
Voor Dawson leidt dat bezoek in ieder geval tot het vaste besluit om historicus te worden.
Tijdens een bezoek aan de Basilica di Santa Maria in Ara Cieli, gebouwd op de ruïnes van een antieke tempel, wordt hij overweldigd door het besef van een enorme historische continuïteit van de plaats.
Het christendom dat de stervende beschaving van het keizerlijke Rome weer tot leven wekte.
Na het bezoek aan de kerk neemt de twintigjarige plaats op de trappen die naar het kapitool leiden en vat hij het stoutmoedige plan op een omvangrijke cultuurgeschiedenis te gaan schrijven.
Tijdens dat verblijf in Rome ontdekt Dawson ook de kunst uit het tijdperk van de barok.
Over dat tijdvak schrijft hij later Voor mij betekende de kunst van de Contrareformatie pure vreugde.
Ik hield niet minder van de kerken van Bernini en Borromini dan van de vroeg-christelijke basilica's.
En dit leidde me vervolgens naar de literatuur van de Contrareformatie en zo leerde ik de geschriften van de heilige Theresia en de heilige Johannes van het Kruis kennen, auteurs waartegen zelfs de grootste van de niet-katholieke religieuze auteurs slechts bleek en onwerkelijk afsteken.
Tot zover de schets van zijn afkomst, zijn jeugd en zijn weg naar de katholieke kerk.
Het is pas na de Tweede Wereldoorlog dat Dawson ook in de academische wereld erkenning vindt.
Zo ontvangt hij een eervolle uitnodiging om de Gifford Lectures aan de Universiteit van Edinburgh te verzorgen.
En in 1958 vertrekt de 69-jarige naar de Verenigde Staten om daar een hoogleraarschap in Harvard te bekleden.
Wegens gezondheidsproblemen vertrekt hij in 1962 weer naar Engeland, waar hij in 1970 overlijdt.
Dolson heeft vooral een schrijvend leven geleid.
Hij heeft ongeveer 200 boeken en artikelen geschreven.
U begrijpt dan dat we in de drie uitzendingen slechts enkele hoofdlijnen van Dolson kunnen behandelen.
En dat zal dan nauwelijks recht kunnen doen aan dit omvangrijke en monumentale werk.
U hoort nu weer een aria uit Telemans kantaten, die stielen nacht.
Mein Vater, wenn dir's wohl gefällt.
Mijn vader, wanneer het mogelijk is, laat deze beker mij voorbij gaan. U kent die woorden natuurlijk. U luistert weer naar Filipp Jaroski en de Freiburger Barokorkester.
[00:20:22] Speaker B: Mein Vater, mein Vater, wenn dir's wohl gefällt, Zolast denk ich, jetzt von mir gehen.
Mein Vater, Vater, mein Vater, wenn dir's wohl gefällt, wenn dir's wohl gefällt.
Zolast denk ich, zolast denk ich, jetzt von mir gehen.
Mijn schmerz is woordredelijk groes.
Ik heb genoeg van je, en daarom rijd ik weg van de ziel.
Rijd ik weg van de ziel.
Hoe dan ook, we zagen het aangesteld.
Jouw wil is alleen te doen. Jouw wil is alleen te doen.
Mein Vater, mein Vater, wenn dir's wohl gefällt, wenn dir's wohl gefällt, MUZIEK EN ZANG.
We
[00:23:40] Speaker A: hebben tot nu toe een korte schets van de jeugd en sociale afkomst van Christopher Dawson gegeven.
We hebben gezien hoe hij uit een Anglikaans milieu afkomstig was, met vanaf het begin sterk intellectuele en artistieke invloeden.
Grootvader Anglikaans geestelijke, vader officier in het Britse leger, een moeder met grote belangstelling voor literatuur.
Een enorme familiebibliotheek.
Na huisonderwijs naar internaten, dan naar Oxford.
In Oxford begint zijn weg naar de katholieke kerk.
die weg verloopt met name door de studie van het werk van Augustines van kardinaal Newman, maar ook leest die talloze Franse en Duitse auteurs uit die tijd zelf.
Daarnaast natuurlijk diepgaande bijbelstudie.
Uiteindelijk wordt hij in 1914 gedoopt.
Hij nam Augustines als zijn patroonheilige.
Twee jaar later trouwde hij met Valerie Mills, een katholiek opgevoed meisje.
We gaan nu over op een korte inleiding in zijn denken.
In de meeste boeken en artikelen van Christopher Dawson wordt op een of andere manier de gedachte uitgewerkt dat de godsdienst de cultuurvormende kracht bij uitstek is geweest.
Alle grote historische culturen hebben berust op een religieuze fundering, dat wil zeggen op een erkenning van een andere, van een transcendente werkelijkheid.
Het is vooral in het boek Religie en cultuur dat Dawson die relatie systematisch in kaart heeft gebracht.
Het boek laat met behulp van een duizelingwekkende gang door de wereld van het Shamanisme, Brahmanisme, Confucianisme, Boeddhisme, de religies van het Oude Midden-Oosten en die van de Noord-Amerikaanse Pueblo-Indianen zien hoe de godsdienst de sleutel vormt tot elk begrip van de wereldgeschiedenis, omdat het religieuze wereldbeeld de grote centrale unificerende kracht in iedere cultuur is.
In dit verband schrijft Dolson, wij kunnen het binnenste van een samenleving slechts begrijpen wanneer we haar godsdienst begrijpen.
We kunnen haar culturele prestatie slechts begrijpen wanneer we de godsdienstige overtuigingen die erachter liggen begrijpen.
In alle eeuwen zijn alle belangrijke culturele prestaties altijd danken geweest aan religieuze inspiratie en gericht geweest op godsdienstige doelen.
De tempels voor de goden vormen de meest duurzame werken van de mens.
De godsdienst vormt de drempel tot alle grote literatuur van de wereld.
De filosofie is een telg van de religie, een kind dat voortdurend naar zijn ouder terugkeert.
En hetzelfde geldt voor de sociale instituties.
Al dus Dolson zelf.
Natuurlijk zit er een element van waarheid in de Marxistische visie op de menselijke geschiedenis.
Ook Dawson erkent dat iedere cultuur mede als basis een genetische, geografische en economische factor kent.
Maar tegelijkertijd laat hij zien dat cultuur nog wel iets anders is dan louter een sociale uitwerking van het economische proces.
Religie en kunst zijn ouder dan landbouw en nijverheid.
De essentiële karakteristieken van de cultuur bestonden al voordat de mens de jagers- en verzamelersfase voorbij was.
Met instemming wordt Emile Durkheim door Dolson aangehaald.
De religie is als een baarmoeder waaruit alle kiemcellen van de menselijke beschaving voortkomen.
Het is de godsdienst die cultuurvormende kracht bij uitstek is.
Het sociale leven wordt overal genormeerd door de erkenning van kosmische wetten en de natuurlijke orde wordt overal en in alle tijden als een weerspiegeling van een goddelijke orde gezien.
In een van zijn laatste boeken schrijft Dawson Geen enkele cultuur staat op zo laag peil of zij bezit een principiële, morele orde.
Ja, ik geloof zelfs dat we nog verder kunnen gaan en zeggen dat de essentie van de cultuur een morele orde is en dat juist dat een cultuur tot een cultuur maakt.
Het is hier het moment om Dorsen even te verlaten en de katechismes van de katholieke kerk ter hand te nemen.
U kent het waarschijnlijk wel, dat dikke boek dat in de jaren negentig uitgekomen is onder paus Johannes Paulus II.
Al helemaal in het begin van de kategorismes vinden we de gedachte uitgewerkt dat de mens van nature een godsdienstig wezen is.
Het eerste hoofdstuk begint met deze prachtige gedachte en ik citeer.
Het verlangen naar God is gegrift in het hart van de mens, want de mens is door en voor God geschapen.
En iets verderop in de kategorismes wordt in dit verband Paulus aangehaald, die in de Romeinen brief van de heidenen zegt dat zij God zouden kunnen kennen.
God zelf heeft het hun geopenbaard.
Want, zo schrijft Paulus, van de schepping der wereld af wordt zijn onzichtbaar wezen door de reden in zijn werken aanschouwd, zijn eeuwige macht namelijk en zijn godheid.
Met andere woorden, ook een mens die de Heilige Schrift niet kent, kan lezen over God in het Boek van de Schepping.
En ik wil je niet de prachtige woorden van de heilige Augustinus onthouden, die een soort gelijke gedachte in een van zijn preken als volgt uitdrukt.
Ondervraag de schoonheid van de aarde.
Ondervraag de schoonheid van de zee.
Ondervraag de schoonheid van de onmetelijke lucht die ons omgeeft.
Ondervraag de schoonheid van de hemel.
Ondervraag dit alles.
En dit alles antwoordt u.
Zie hoe schoon wij zijn.
hun schoonheid is een beleidenis.
Wie anders heeft deze schepselen die onveranderlijk schoon zijn gemaakt dan Hij die onveranderlijk schoon is?
Al dus, Augustines.
In het citaat van Paulus wordt verwezen naar de ontvankelijkheid van de mens voor de waarheid.
Dus wordt verwezen naar de reden.
Bij Augustines wordt hier verwezen naar de ontvankelijkheid van de mens voor de schoonheid van de schepping.
Ook Dawson haalt in dit verband het woord van Paulus ergens aan, maar hij voegt er nog een beroemde allegorie van Aristoteles aan toe, waaruit blijkt dat het idee van de mens als een van nature godzienstig wezen ook in de heidens antieke beschaving niet onbekend was.
Aristoteles schrijft Stel je voor dat een ras van ondergronds levende mensen een beschaafd bestaan had opgebouwd, voorzien van alle noodzakelijke zaken en levend in luxe, maar verstoken van elk daglicht.
Op een dag opent de aarde zich en voor de eerste keer zien ze de aarde, de zee, de stralende zon, de veelvormige maan en de onveranderlijke orde der hemelen.
Zulke mensen zouden zeker het bestaan van gode beleiden en geloven dat deze dingen het werk van God zijn.
Al dus Aristoteles.
U luistert in de tweede deel van de uitzending naar aria's uit Bachs beroemde kantaten Ich habe genug.
Eerst de gelijknamige aria uit deze kantate, een kantate die Bach schreef voor het feest van Maria Lichtmis.
Vandaar de evocatie van de woorden van de oude Simeon.
Het is genoeg.
Ik heb de heiland, de hoop van de vromen, in mijn verlangende armen genomen.
Het is genoeg.
U hoort weer Filip Jaruzki en het Freiburger Barokorkester.
[00:32:38] Speaker B: Ich habe genug, mein Trost ist nur allein, dass Jesus mein und ich sein eigen möchte sein.
Im Glauben halte ich weh, da seh ich auch mit Simeon die Freude jedes Lebens schon.
Lasst uns mit diesem Mannes Ach, wilst du mich von meines Leibeskinden dir eher retten?
Ach, werde doch mein Abschied hier.
Mit Freuden sagt ich wert zu dir.
Ich habe genug.
[00:33:43] Speaker A: Het idee dat de mens van nature een godsdienster geweest is, vormt natuurlijk de basis van Dawson's kernidee dat elke beschaving tot nu toe een religieuze kern heeft gehad waaruit zo'n beschaving organisch is gegroeid.
Dat geldt voor de oude culturen van Mesopotamië, Egypte, China, India, etc.
Maar ook voor prehistorische culturen als de Aboriginals in Australië.
Zoals gezegd, Torsten gaat hier in enkele vroege werken uitvoerig en gedetailleerd op in.
In boeken als Het tijdperk van de goden, Religie en cultuur, En in een groot deel van het boek Vooruitgang en Religie komt het Christendom nauwelijks voor.
Maar wanneer we deze publicatie in samenhang met de rest van zijn werk beschouwen, is het volstrekt duidelijk dat Dawson dit immense en geleerde panorama van primitieve culturen en hoger ontwikkelde beschavingen bepaalt niet uit museale overwegingen voor ons heeft neergezet. Het is slechts het noodzakelijke voorwerk om te komen tot een dieper begrijpen van de Europese beschaving.
Want in het verleden heeft het Christendom in Europa dezelfde rol gespeeld als het Confucianisme in China of de Islam in het Midden-Oosten.
In de tweede uitzending zullen we met name zijn boek The Making of Europe uitvoerig behandelen.
Alleen door het christendom hebben de verschillende Europese volkeren een gemeenschapsbewustzijn en een gevoel van culturele en geestelijke gelijkheid ontvangen.
Dat iedere grote historische beschaving verbonden is met een grote godsdienstige traditie wordt eigenlijk door niemand ontkend.
Maar op een of andere manier blijft dit elementaire gegeven voor Europa tegenwoordig vaak onderbelicht of wordt zelfs expliciet onder de tafel gewerkt.
Het is in dit verband goed om ons in herinnering te roepen dat het debat in de zogeheten grondwetgevende vergadering in de jaren 2005-2006 resulteerde in een weigering om in het ontwerp van een Europese grondwet voor de Europese Unie enige expliciete verwijzing naar het christendom als het geestelijk fundament van de Europese identiteit op te nemen.
En wat gebeurde er een jaar eerder in het Europese parlement?
In de zogeheten Commissie voor Burgelijke Vrijheden van het parlement werd met 27 tegen 26 stemmen de kandidatuur van de Italiaan Rocco Bottiglione voor de post van Europese Commissaris voor Justitie verworpen wegens dienst katholieke opvattingen op het gebied van gezin en seksualiteit.
Even later zou een meerderheid van het parlement, vooral bestaande uit liberalen en socialisten, deze afwijzing bekrachtigen.
Verontwaardigd zou Dawson zeker zijn geweest over dit alles, maar hij zou niet verbaasd zijn.
Het is een goed voorbeeld van het agressieve secularisme dat hij al in de jaren dertig zag opkomen in de westerse democratieën.
We komen daar in de derde uitzending nog uitvoerig op terug.
Rocco Buttiglione, een vriend van de toenmalige paus Johannes Paulus II, noemde in een vraaggesprek Christus en Socrates de vaders van Europa.
Europa werd volgens hem geboren uit de ontmoeting tussen de joodschristelijke religie en de Grieks-Latijnse denkwereld.
En, zo zegt hij vervolgens in dat vraaggesprek letterlijk, Een Europa dat niet de moed bezit om zichzelf met deze wortels te verstaan, en het lijkt er niet op dat er iets anders in de plaats wordt aangeboden, zo'n Europa lijkt sterk op een man die totaal met zijn familie heeft gebroken.
Andere ouders kan hij zichzelf niet verschaffen?
Een ander mens worden lukt ook niet?
Het blijft daarbij dat diezelfde man een oppervlakkig leven gaat leven en er niet meer in slaagt de ware diepte van zijn identiteit te bereiken.
Onwillekeurig moet men bij deze laatste woorden van Bertoloni ook denken aan de geestelijke verwarring, ja regelrechte morele paniek die in een land als Nederland van tijd tot tijd kon bovendrijven met betrekking tot de aanwezigheid van de islam in ons midden.
We zijn vergeten wie we zelf zijn.
Of beter gezegd, we willen het niet meer weten.
Botelliones visie waarin klassieke oudheid en christendom als bouwstenen van de Europese cultuur gezien worden, verschilt niet zoveel van die van Dolson zoals we nog zullen zien.
Dolson laat ons in zijn werk zien hoe het christendom en de christelijke cultuur zich als een morele eenheid ontwikkelden uit de joodsch-christelijke openbaring.
De Europese volkeren hebben hun geestelijke waarde en hun morele maatstaven uiteindelijk uit die bron.
En het is die bron die uiteindelijk alle menselijke wetten hun waarde en hun sancties geeft.
Uiteindelijk, want we zullen nog zien, dat er bij de vorming van de christelijke cultuur in Europa ook uit andere bronnen werd geput.
Dat is nu juist een van de opvallende kenmerken van de oorspronkelijke Europese beschaving.
[00:39:23] Speaker B: Verbarrensvulgerblik, die onschuld wie verwurkelt van den Zünden, der schönste von den Menschenkinder, ist ganz verstellt und ungestalt.
Die onomschränkete gewalt, für welche auch die Himmel zittern müsse, liegt kraftlos da, zu meinen Füßen.
Wer an Welt das Leben gab, zinkt selbst ins Grab.
...und leset mich betrübnisvoll zurück, ...erbarmenswürdger Blick.
[00:40:34] Speaker A: Dolfsens grootste historische bijdrage in zijn geschiedschrijving rond het idee van de christelijke cultuur.
Dat zijn werk daarmee vernieuwend was, kunnen we beter begrijpen wanneer we ons realiseren dat in de traditionele geschiedschrijving het verhaal van het christendom in segmenten uiteenvalt door de in de renaissance ontstaande driedeling oudheid, middeleeuwen en moderne tijd.
In die periodisering staat niet het christelijke verhaal centraal, maar het helaas van de antieke cultuur.
Die antieke cultuur ontstaat en komt tot bloei, oudheid, raakt in verval, middeleeuwen, en wordt weer herontdekt, begin van de moderne tijd.
In plaats dat christenen tot de erkenning kwamen dat de antieke cultuur een meer dan volwaardige en onderscheidende opvolger kreeg in de christelijke, zijn christenen die triade blijven gebruiken.
De protestanten hebben dit bovendien nog uitgebreid met een kerkelijke driedeling.
De oudheid, dat is dan de vroege kerk als de gouden eeuw van het christendom, De middeleeuwen als tijd van verval, misstanden, bijgeloof.
En de Reformatie als de herontdekking van het authentieke Christendom.
Onze bestudering van de Europese cultuur werd volgens Dawson vele uren, vele eeuwen gedomineerd door het beeld van een geïdealiseerde klassieke cultuur.
Zo groot is de overheersing van de klassieke cultuur in de westerse verbeelding dat de curricula van het middelbaar onderwijs in de 16e en 17e eeuw, zowel van katholieken als van protestanten, gevormd werden rondom de klassieke erfenis.
Dolcen daarentegen pleit voor een leerplan waarin het christendom en de christelijke cultuur veel meer centraal staan.
Patricische tijd, middeleeuwen, renaissance, reformatie en contra-reformatie waren allemaal fases in de christelijke cultuur, die overigens natuurlijk medestoelde op de inbreng van Jeruzalem, Athene, Rome en de noordelijke Germanen.
Tot zover het eerste deel van de drie uitzendingen over Christopher Dawson.
In de volgende uitzending willen we het vooral hebben over de manier waarop volgens Dawson een christelijke cultuur in Europa is ontstaan en zich heeft ontwikkeld.
En in de derde uitzending zal vooral de vraag aan de orde komen wat gebeurt er met een cultuur die haar religieuze kern steeds meer ziet wegsmelten.
Beste luisteraar, ik neem afscheid van u met Filip Jarouski, die nog een aria uit Bachs kantaten, Ich habe genug, gaat zingen.
U hoort het prachtige Schlummert ein, ihr matten Augen.
Vertaald, slaap maar in, vermoeide ogen, val maar zacht en zalig dicht.
Wereld, ik blijf hier niet langer.
Er is toch niets in je dat goed voor mijn ziel zou kunnen zijn.
Hier moet ik het met ellende doen, maar daar, daar zal ik aanschouwen, zoete vrede, stille rust.