Episode Transcript
[00:00:04] Speaker A: De Ladder van Jacob Literatuur, geschiedenis en muziek met Theo Parlevliet Beste luisteraar, hartelijk welkom bij de derde en laatste aflevering van mijn serie Willem Nuyens en het herwonen vaderland.
Deze aflevering heet Ruzies over het vaderlands verleden.
Tijdens twee uitzendingen vertelde ik u over het leven en werk van Willem Nuyens, die geboren werd in 1823 en stierf in 1894.
En we zagen hoe zijn leven in vier kernbegrippen kan worden samengevat.
Katholiek, Westfries, huisarts en amateurhistoricus.
We hebben ons bezig gehouden met de toenmalige historische beeldvorming van ons vaderlands verleden en hoe Nuyens gewerkt heeft aan een historische reconstructie waarin meer recht werd gedaan aan de positie van de katholieken in de vaderlandse geschiedenis.
We hebben gezien hoe er in Nederland in de 19e eeuwse geschiedschrijving twee richtingen waren.
Een liberale school die vooral streefde naar een soort verzoenend nationaal geschiedbeeld waarin alle stromingen in ons land zich zouden kunnen vinden.
De belangrijkste vertegenwoordiger was de Leidse hoogleraar Robert Fruin.
Fruin stond sympathiek tegenover het streven van Nuyens om het katholieke volksdeel een belangrijkere plaats te geven in het geschiedbeeld.
De tweede richting was de protestantse, die sterk de nadruk legde op Nederland als een exclusief protestantse natie.
De belangrijkste vertegenwoordiger daarvan was Groen van Prinsteren.
En je zou dan nuiens als de pionier van een derde richting de katholieken kunnen beschouwen.
Zijn eerste boek hebben we uitvoerig besproken, Geschiedenis der Nederlandse Beroerte in de 16e eeuw.
Wat gaat over de Tachtigjarige Oorlog.
Al dus mijn korte samenvatting van het voorafgaande.
Om de betekenis van het historische werk van Nuyens te begrijpen is het nodig in te zien dat hij leefde in een tijd dat veel landen in Europa druk bezig waren aan de opbouw van een moderne nationale identiteit.
Modern betekent hier vooral een nationaal gevoel gedragen door de massa, niet alleen door een kleine bovenlaag.
De negentiende eeuw was overal in Europa de eeuw van het nationalisme.
Anders dan een populair beeld ons wil doen geloven, hebben we in het negentiende-eeuwse Nederland wel degelijk ook vormen van nationalisme gekend.
In de tijd van Nuys was er ook in ons land een enorme behoefte om het verleden in dienst te stellen van de natie.
En dat gebeurde op talloze manieren.
Via stambeelden, monumenten, historische romans, historische thema's in de schilderkunst, historische optochten, historische gedenkdagen, nationale feesten en, niet onbelangrijk, de invoering van het vak Vaderlandse Geschiedenis op de lagere school.
Het zou verkeerd zijn om deze overdaad van vadersliefde in ons land alleen maar voor te stellen als een uiting van trots, zelfvertrouwen en optimisme.
Er was in het midden van de 19e eeuw vooral veel onzekerheid in ons land.
Wanneer we even in vogelvlucht onze geschiedenis vanaf 1795 bezien, dan valt het op dat de grenzen en de identiteit van het vaderland in korte tijd verschillende keren ingrijpend gewijzigd werden.
In 1795 komt er een eind aan de Confederale Republiek, die formeel uit zeven staartjes bestond.
Daarvoor in de plaats komt een soort eenheidstaat, de Bataafse Republiek. En dan worden we in 1806 een soort Frans satellietstaartje onder koning Lodewijk Napoleon.
En vervolgens worden we tussen 1810 en 1813 zelfs door Frankrijk geannexeerd.
En daarna volgt het grote experiment van het Verenigd Koninkrijk, dat zo ongeveer de huidige Benelux omvatte.
En dit experiment mislukte vijftien jaar later, jammerlijk met de Belgische opstand.
onder andere veroorzaakt door de anti-katholieke politiek van koning Willem I in België.
Al dat inschakelen van het verleden werd dus vooral in dienst gesteld van een soort legitimering van het Koninkrijk der Nederlanden, zoals dat na de Belgische opstand in feite bestond.
En dat gebeurde minder in een sfeer van nationaal enthousiasme dan tegen een algemene achtergrond van onzekerheid.
Want was het bestaan van het Koninkrijk der Nederlanden zo vanzelfsprekend in het Europa van die dagen?
Laten we een blik op een kaart van het 18e eeuwse Europa werpen.
En dan vragen we ons bijvoorbeeld af waar in de 19e eeuw die Venetiaanse Republiek is gebleven.
Venetië was een koopmansrepubliek die lange tijd een regionale grootmacht was in het oostelijke bekken van de Middellandse Zee.
Die roemrijke republiek was in de 19e eeuw van de kaart verdwenen.
Het is dan een provincie van het Oostenrijkse keizerrijk.
Hetzelfde geldt voor Hongarije.
En waar is de staat Polen gebleven op de kaart van de 19e eeuw?
Een regionale grootmacht in de 17e eeuw is na een drietal delingen aan het eind van de 18e eeuw ook letterlijk van de kaart verdwenen.
En later in de 19e eeuw zagen de Nederlanders koninkrijken als Beijeren en Saxen opgenomen worden in het Duitse Rijk.
Ook dat zorgde toch voor enige zenuwachtigheid onder de vaderlandse elite.
Was daar dan een reden voor?
Ik geef u een sprekend voorbeeld.
U kunt het nog steeds bezoeken in de buurt van Regensburg.
Op een heuveltop daar werd na 1830 door Duitse nationalisten een monument gebouwd in de vorm van een soort Griekse tempel dat de naam Walhalla droeg.
Dat Walhalla stond vol met stambeelden en bustes van grote mannen uit de Duitse geschiedenis.
Let wel, in die tijd was de politieke Duitse eenheid nog lang niet tot stand gekomen.
Maar er was in bepaalde kringen wel een sterk streven om al die Duitse staten en staatjes in één Duits Rijk te verenigen.
Wanneer u nu als toerist het Walhalla bezoekt, dat moet u zeker doen als u in de buurt bent, dan zult u daar bijvoorbeeld beelden kunnen zien van Beethoven, Goethe, Schiller, Kant.
En na de Tweede Wereldoorlog zijn daar nog afbeeldingen geplaatst van bijvoorbeeld Conrad Adenauer en Edith Stein.
Maar de nationalisten van 1830 vonden het heel normaal ook enkele vertegenwoordigers uit onze streken op te nemen.
Dus de verbaasde Nederlandse toerist van nu ziet daar nog steeds afbeeldingen van bijvoorbeeld Willem van Oranje, stadhouder Willem III, Michiel de Ruiter, Maarten Tromp, Erasmus en de schilders Rubens en Jan van Eyck.
In een historisch perspectief ook helemaal niet zo gek, want de streken waar deze mensen leefden en werkten hebben immers lange tijd tot het Heilige Roomsche Rijk behoord.
Dat rijk heeft tot 1806 bestaan.
In het denken van veel negentiende-eeuwse Duitse nationalisten werd het toenmalige Nederland en het Nederlandstalige deel van België zonder veel problemen bij dat Duitse eenheidsstreven betrokken.
Toen in 1871 het Duitse keizerrijk werd gesticht zorgde dat wel degelijk voor enige ongerustheid onder onze vaderlandse elite.
Ik wil met dit voorbeeld maar zeggen, het was bepaald geen overbodige luxe die pogingen om de Nederlandse natie van een duidelijke identiteit te voorzien, gedragen door zoveel mogelijk burgers.
U kunt in de pauzes luisteren naar muziek van de Leidse componist Cornelis Schuit.
Hij leefde van 1557 tot 1616.
Zijn vader was de Leidse organist Floris Schuit.
Schuit maakte met zijn vader in zijn jonge jaren een studiereis naar Italië en was later verbonden aan de Pieterskerk als organist.
Zeer waarschijnlijk waren hij en zijn vader katholiek.
U gaat nu luisteren naar zijn lied O Leida Razziosa uit zijn eerste madrigaalboek uitgegeven in 1600, waarin hij in het Italiaans schrijft blij te zijn dat hij in Leiden is teruggekeerd naar veel werkzaamheden en omzwervingen in Italië en elders.
En hij droeg het madrigaalboek op aan de praetore consuli et senato van Leiden.
Dus aan de schoudschepenen en vroedschap van Leiden.
En met dit lied wilde Schuit zijn dankbaarheid tonen voor de weldaden die het stadsbestuur hem en zijn vader hadden bewezen.
Schuit leefde uiteraard in een tijd dat de mensen hier zich nog geen Nederlander voelden. Stad en gewest stonden in de beleving van toen centraal.
[00:11:49] Speaker B: Oh, melle, graziosa.
Oh, melle, graziosa.
Madre, madre, gentil, gentil Spirite. Madre, madre, gentil, gentil Spirite.
Amatore mio.
Amatuerimi, amatuerimi, amatuerimi, amatuerimi, ZANG EN MUZIEK MUZIEK EN Heerlijk ZANG wil ik u bedanken.
Heerlijk wil ik u bedanken.
ZANG Heer, EN MUZIEK u stelt ons weder, Heer, u stelt ons weder, O bella preziosa, O bella preziosa, O bella preziosa, All'entrecchiata, All'entrecchiata, All'entrecchiata, In armen van ordosa, in armen van ordosa. Amai, amai, amai, amai.
ZANG EN MUZIEK MUZIEK Een
[00:17:04] Speaker A: dergelijk proces van nationale identiteitsvorming is vaak ingewikkeld en verliep moeizaam, ook in andere Europese landen.
Immers, wat is identiteit?
Identiteit is het verhaal dat iemand over zichzelf of over zijn groep vertelt.
Als een volk een verhaal over zichzelf wil horen, is dat vaak een historisch verhaal.
Als iemand bijvoorbeeld zegt dat Nederland een burgerlijk land was waar verdraagzaamheid altijd een belangrijke plaats in het sociale leven innam, dan hoort daar een bepaald historische opvatting bij.
Historici zijn dus in de 19e eeuw belangrijke architecten geweest van de vorming van die nationale identiteit.
Maar nu het probleem.
Elke groep heeft herinneringen nodig die haar als groep samenbindt. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor een familie.
De leden van de verschillende generaties vertellen op allerlei momenten hun herinneringen aan elkaar. En door dat vertellen ontstaat er iets als een collectief geheugen.
Maar, misschien heeft u die ervaring ook, binnen dat collectieve geheugen kunnen grote verschillen optreden.
Ik heb het hier niet alleen over feitelijke verschillen, maar vooral over verschil in waardering.
Zelfs leden van eenzelfde generatie uit hetzelfde gezin kunnen een verschillende waardering hebben over aspecten van dat verleden.
Bijvoorbeeld over de rol van de kerk vroeger.
Over de waardering van de school vroeger.
Over de opvoeding door de ouders.
Etcetera, etcetera.
En wat voor een familie geldt, geldt zeker ook voor een natie.
Ook een natie heeft gemeenschappelijke herinneringen nodig, een gemeenschappelijk verhaal, maar tegelijkertijd blijkt al snel dat dat verleden vaak niet onproblematisch is.
Vooral voor een levensbeschouwelijk verdeeld volk als het Nederlandse leverde het verleden in de 19e eeuw gemakkelijk controverses op.
Ik geef hier een tweetal voorbeelden van het herdenken van een historische gebeurtenis.
Hoe dat tot conflicten leidde en welke rol het werk van Nuyens daarin gespeeld heeft.
We zijn in het jaar 1868.
Het is dan precies drie eeuwen geleden dat antispaanse opstandelingen onder leiding van twee broers van Willem van Oranje, Lodewijk en Adolf van Nassau, bij Heilige Lee voor het eerst een militaire overwinning op de Spanjaarden behaald hebben.
Adolf sneuvelt tijdens die slag.
1568, het begin van de Tachtigjarige Oorlog, zo leerden we dat vroeger op school.
Dan komt er in 1868 een initiatief om dat jubileum van drie eeuwen te gaan vieren.
Het besluit op die gebeurtenis in de vorm van een nationale feestdag te vieren leidt tot een felle polemiek, waarin de verschillen tussen protestanten, liberalen en katholieken duidelijk aan de oppervlakte kwamen.
Het katholieke dagblad De Tijd spreekt zich in ronde bewoordingen uit tegen het idee.
Het terugroepen in de herinnering van tegenstellingen uit de 16e eeuw zou slechts tot nieuwe onenigheden leiden, zo schreef de krant.
In een open brief wees de katholieke voorman Alberting Tijm erop dat een dergelijke viering nooit nationaal kon zijn.
De katholieken konden het begin van de opstand niet herdenken als een vrijheidsstrijd, omdat het immers was samengegaan met het begin van een eeuwenlange onderdrukking.
Een minderheid van Calvinisten had het resultaat van een geslaagde revolutie naar zich toegetrokken en al dus een godsdienstoorlog gemaakt van een beweging die dit oorspronkelijk niet geweest was.
In dat Calvinistisch gelijkschakelingsproces waren katholieken van hun kerken beroofd en hun geestelijkheid werd vermoord of verjaagd.
Zij gingen een eeuwenlang bestaan van tweederangs burgers tegemoet.
Wat was er voor katholieken rondom de slag bij heilige Lee te vieren?
Al dus de rhetorische vraag die Albert Diktijm in zijn open brief stelde.
U hoorde hier overigens duidelijk de invloed van het boek van Nuyens dat we vorige week bespraken.
Liberalen daarentegen benadrukten de betekenis van de slag bij Heilige Lee als de geboorte van de Nederlandse natie, te vieren door alle Nederlanders.
Vruin beschreef het slagveld als de plaats, citaat, waar drie eeuwen geleden gestreden is voor de onafhankelijkheid van de Nederlandse staat.
Natuurlijk heeft dat ook enkele onaangename gevolgen gehad voor de katholieken.
Voor hun gevoelens had hij begrip, maar hij vond dat ze zich daar maar overheen moesten zetten.
Een veel opzienbarend geschrift was het boekje dat de Limburgse priester Jan Willem Brouwers aan de zaak weide.
Brouwers was de rector van het Sint-Bernardus-gesticht in Amsterdam.
Benevens redacteur van de tijd.
Hij was een veel gevraagd redenaar in katholieke kring.
Ook een hedendaags lezer zal zijn rhetorische gaven niet ontkennen, al moet diezelfde hedendaagse lezer wel erg wennen aan dienst zelf voor een, zelfs voor een negentiende eeuw, grote wijdlopigheid.
Interessant was nu dat Brouwers de meeste inhoudelijke munitie duidelijk aan Nuyens ontleende.
Hij schilderde Lodewijk van Nassau af als een opportunistische avonturier die vooral op zijn eigen belang uit was.
Veel protestantse woede kreeg Brouwers over zich heen omdat hij, in het voetspoor van Nuyens, Lodewijk als medeplichtig zag aan de beeldenstorm van twee jaar daarvoor.
En, ook aan Nuius ontleemd, hij betwiste dat Lodewijk als een nationale figuur gezien kan worden.
Lodewijk was een Duitser die geen Nederlands sprak en die met een Duits huurlingenleger de boel hier onveilig kon maken.
En van eindig noemde Brouwers Lodewijk in zijn boekje enkele malen Ludwig.
Om steun te krijgen bij andere landen was Lodewijk van Nassau bereid geweest om een groot deel van de Nederlandse gewesten in de verkoop te doen.
Frankrijk bood hij Vlaanderen en Artois aan.
Engeland paaide hij met Holland en Zeeland.
Dat was nu nog eens echte nationale politiek, spotte de eerwaardeheer Brouwers.
De officiële feestredenaar tijdens de herdenkingsplechtigheden, de liberale hoogleraar Jongbloed, had nu juist zijn best gedaan in zijn toespraak op het Nationale Orgel te spelen en iedere gevoeligheid te ontzien.
Voor hem ging het in Heilige Lee om, citaat, een heuglijke gebeurtenis. die de eerste was eener reeks van heldendaden die ons zelfstandige volksbestaan verzekerde en dus wel geëigend was om ons feestelijk te stemmen.
Een onverbrekelijke band tussen Nederland en Oranje werd hier gesmeed, de eerste schreden op weg naar de vrijheid, waarbij het eerste Oranjebloed stroomde voor Slanszaak.
Jonkbloed was dan ook woedend op de katholieke verstoringen van het nationale feest.
In de Tweede Kamer wond hij zich over brouwers op, die, zo zei hij daar, onze geschiedenis verguist en de helden van onze onafhankelijkheid door het slijk sleept en tracht verachtelijk te maken.
[00:26:00] Speaker B: MUZIEK MUZIEK MUZIEK.
MUZIEK.
MUZIEK TV Ik
[00:28:22] Speaker A: liet u dit alles maar even horen Gelderland 2021 om duidelijk te maken hoe in de periode van Nuyens de vaatlandse geschiedenis en als een belangrijke eenheid bevorderende factor werd gezien en in grote mate ook potentiële conflictstof bevatte en dus juist een bron van tegenstellingen kon vormen.
Overigens, alle opvattingen over dit soort kwesties werden door iedereen met nationaal gevoel voorgedragen.
Ook een katholiek als Brouwers begon zijn boekje met het uitspreken van de gehechtheid van de katholieken aan het vaatland, aan de nationale zelfstandigheid en aan de regerend Oranjevorst van toen, koning Willem III.
De katholieken deden dus geen aanvallen op de natie, maar op bepaalde interpretaties van het nationale verleden.
In deze kwestie komen we ook de jonge schaapman al tegen, die zich in een artikel over de kwestie Heilige Lee verzette tegen de liberale opvattingen.
Zij probeerde iets nationaals te maken van iets dat niet nationaal was.
Hij wees erop dat het nationale gevoel, zoals de liberalen dat propageerden, niet al eeuwen oud was, maar iets betrekkelijk nieuws.
Het ging hier volgens hem om een droom die betrekkelijk kunstmatig was.
In een artikel schreef hij in die dagen, Nederlands profeten hebben het bestaan van een nieuw nationaal feest aan het goede volk verkondigd. Want dit is een nieuw opmerkelijk verschijnsel.
Van dit feest wist het volk niets en het bekommerde zich er ook niet om.
Terecht wees Schaapman hier op het betrekkelijk kunstmatige van een van bovenaf gepropageerd nationalisme.
Daar ergerde Schaapman zich aan en hij wees op het gevaar ervan.
Met een viering als die van Heilige Lee werd de Nationale Eenheid niet bevorderd, maar het zou juist zorgen voor nieuwe twisten.
Intussen waren het niet alleen katholieke auteurs die niet mee wilden doen aan het nationale herdenkingsfeestje.
Ook een protestant-orthodoxe schrijver als Gron van Prinsdra had bedenkingen, zowel over het karakter van de nationale feestdag als over de katholieke kritiek erop.
Ook hij schreef er een dikke brochure over.
Groen vond dat men bij de viering van dergelijke herdenkingsdagen te veel bezig was met het iedereen naar de zin te maken.
Dat leidde tot een verwatering.
Tot een oranjeliefde zonder geloof aan oranjes goddelijke roeping.
Tot een vaderlandsliefde zonder geloof aan de god der vaderen.
En de vaderlandsliefde verloor daarmee voor hem zijn eigenlijke kern.
De protestantse wortels van de Nederlandse natie.
Een groot deel van zijn boekje richtte zich overigens op de kritiek van de eerwaarde brouwers en daarmee indirect op de geschiedschrijving van Nuyens.
Vooral de medeplichtigheid aan de beeldenstorm van 1566 van Lodewijk van Nassau, een van de helden van Heilige Lee, had Groen's verontwaardiging gewekt.
Voor protestanten als Groen was Lodewijk nu juist een van de iconen van de Nederlandse vrijheidsstrijd.
Het is hier natuurlijk niet de plaats om verder in te gaan op allerlei historische strijdpunten van toen. Veel interessanter is het om te zien hoe de verschillende richtingen in de geschiedschrijving in het debat rondom de Heilige Lekwestie vertegenwoordigd zijn.
Een liberaal-nationale, een protestants-orthodoxe en het begin van een katholieke geschiedsopvatting, vooral gevoed door het werk van Nuyens.
[00:32:32] Speaker B: ZANG EN O, wie kunt u, MUZIEK O, wie kunt u, O, wie kunt O, wie kunt u, O, wie kunt u, O, wie kunt u, O, wie kunt u, O, wie kunt u, O, wie kunt u, O, wie kunt u, O, wie kunt u, O, et orgos wie kunt u, O, wie kunt u, O, meium wie kunt u, O, wie kunt u, O, wie kunt u, O, kunt u, O, wie kunt kunt u, O, wie kunt kunt u, O, wie kunt immaculata, et orgos meium immaculata, et orgos meium immaculata, et orgos meium immaculata, et orgos meium immaculata, et orgos meium Dan immaculata,
[00:34:06] Speaker A: is het vier jaar later.
We zijn in het jaar 1872.
Opnieuw heftige debatten, want in 1872 was het 300 jaar geleden dat de stad Den Briel op 1 april 1572 door de watergeuzen werd ingenomen.
Weer moest er een vaderlandse gebeurtenis herdacht worden.
Maar ook hier was feestvieren voor de Nederlandse katholieken uiterst problematisch.
Op 26 juni 1572 was de stad Goorkum door de watergeuzen ingenomen.
Zeventien priesters en twee lekenbroeders werden vervolgens gevangen genomen en gemarteld.
Op 9 juli werden ze bij Den Bril in een turfschuur, dat bij een vernietigd knooster hoorde, opgehangen.
Vervolgens werden hun lichamen verminkt.
Andere priesters werden op de Grote Markt van Den Bruel op een brandstapel gezet.
In 1869, dus drie jaar voor het Nederlandse herdenkingsfeest, werden zij door Pius IX heiligverklaard.
De Nederlandse katholieken kennen hen nog steeds als de martelaren van Gorkum.
Aanvankelijk nam Nuyens een negatieve houding aan in zaken de herdenking van de inname van Den Briel door de Geuze.
Hij deelde de verontwaardiging van zijn vriend Albertinck Tijm over de plaatselijke pastoor in Den Briel die zijn medewerking aan de herdenking had gegeven.
Deze pastoor had zichzelf zelf als voorzitter van het feestcomité laten benoemen.
Ik ken de lokale omstandigheden van toen niet, maar ik vermoed dat dat natuurlijk gedaan werd in een poging om de katholieken bij de feestelijkheden te betrekken.
Thijm schreef in een heftige brief aan Nuyens.
Wat zullen we met dat domme katholieke volk beginnen?
Ik weet niet waarom gij uwe geschiedenis der troebelen geschreven hebt.
Daar komt me nu de zeer ewaarde heer J. W. van Saagsveld, pastoor van Den Briel, en die zet zich aan het hoofdener commissie die een monument voor de watergeheuzen zal oprichten.
We maken het malste figuur van de wereld.
Nee, voor Katselieke kon 1 april geen nationale feestdag zijn, volgens Tijm. Het revolutionaire optreden van een misdadige bende van plunderaars en moordenaars liet dat niet toe.
Ook hier zien we dezelfde lijnen in het debat. De liberalen probeerden 1 april 1572 vooral van een verzoenend standpunt te belichten als het begin van een nationale vrijheid, waarbij het feitelijke optreden van de Watergeuze zoveel als mogelijk was naar de achtergrond werd gedrongen.
In de feestelijke historische optocht in Den Briel stond vooral het Oranjehuis centraal, met bijvoorbeeld een praalwagen waarvan de paarden gemend werden door de Nederlandse maagd en met twee borstbeelden van koning Willem III en zijn vrouw. Ook in diverse geschriften werd geprobeerd het katholieke mogelijk te maken, mee te vieren.
Intussen waren er van katholieke zijde nu meer gematigde geluiden te horen waarin geprobeerd werd de katholieke opvattingen te verzoenen met de vaderlandsliefde.
Vanuit het episkopaat werd vooral geprobeerd de godsdienstvrede te bewaren.
Wie als katholiek op 1 april de vlag wilde uitsteken, kon dat doen. Al betekende dat natuurlijk niet het symbolisch goedkeuren van de verschrikkelijke gebeurtenissen van 1572.
Wel kreeg de pastoor van Den Briel van zijn bischop de stille hint uit het feestcomité te treden.
In de katholieke pers overheersten ook gematigde geluiden. Als men de overwinning van het protestantisme of de vervolging van de katholieken wilde vieren, zouden katholieken niet meedoen.
Maar wanneer men de staatkundige vrijheid wilde gedenken, konden katholieken meedoen.
Ook Nuyens kwam enigszins terug op zijn aanvankelijke militanten-negatieve standpunt.
Hij schreef in een brochure over de kwestie Geef men aan de 1e april 1872, let wel op, ik noem uitdrukkelijk 1872.
Geef men aan die dag de betekenis dat wij, Nederlanders, allen onze vrijheid en onafhankelijkheid beminnen en willen verdedigen, tegen wie ook.
Dat ook wij ons allen willen scharen om een geëhrbiedigd nationaal vorstenhuis.
Dan kunnen, mijnzinsziens, alle Nederlanders eendrachtelijk samenwerken.
De luisteraar moet zich bij dit alles bedenken dat het debat rondom de inname van de bril gevoerd werd in een periode dat, zoals eerder gezegd, de realisering van de Duitse eenheid in Nederland met een zekere ongerustheid werd gadegeslagen.
De behoefte om nationale eensgezindheid uit te stralen zal daardoor ook in katholieke kring vergroot zijn.
Maar bij Nuyen speelde ongetwijfeld vooral zijn persoonlijke gematigde instelling een belangrijke rol.
Tijd voor een liefdeslied van Cornelis Schuit.
Opgedragen aan ene Andrea van Oudshorn.
[00:40:05] Speaker B: en zon, zon, zon, zon, zon, zon, zon, zon, zon, zon, zon, zon, zon, zon, zon, COSY ANDREA COSY ANDREA SINGET UN MISSION SINGET UN MISSION ZANG EN MUZIEK ZANG EN MUZIEK
[00:42:03] Speaker A: Nog even terug naar het historische werk van Nuyens zelf.
In 1870 was Nuyens hoofdwerk, de geschiedenis der Nederlandse broerte, voltooid.
Meer dan tien jaar had hij eraan gewerkt.
Ondanks zijn drukke artsenpraktijk, de zorg voor zijn grote gezin en de talloze andere bezigheden vatte hij opnieuw een groot historisch werk aan.
Ook dat zou hem ongeveer tien jaar gaan bezighouden.
In 1882 verscheen het twintigste en laatste deel van zijn algemene geschiedenis des Nederlandse volks, van de vroege tijden tot op onze dagen.
In mijn editie beslaat een en ander zeven omvangrijke boekdelen.
Waarom begon Nuyens aan dit enorme werk?
Nog minder dan zijn geschiedenis van de opstand was dit werk bedoeld voor de vakgeleerden.
In tegenstelling tot zijn eerste werk bevat zijn algemene geschiedenis geen voetnoten.
Het lijkt minder op bronnenonderzoek te steunen en meer op secundaire literatuur.
Wat natuurlijk niet verwonderlijk is gezien de duur van de behandelde periode.
Nuyens had met zijn vorige boek het historisch bewustzijn van zijn geloofsgenoten wakker geschud.
Nu wilde hij hun de mogelijkheid geven kennis te maken met de gehele geschiedenis van hun vaderland.
Heel duidelijk zet hij in een brief aan Fruin zijn bedoelingen uiteen.
Nu wij het onderwijs van onze kinderen in onze geest willen hebben, moet de opvatting der historie, waarop zoveel aankomt, ook voor de onze geformuleerd worden.
Het werk dat ik dan schrijf, is met dat doel geschreven.
geen rooms-katholiek geestelijke, geen rooms-katholieke onderwijzer die het mag missen.
Daarom, gezult dit begrijpen, moest ik aan het werk.
Ik zal dan ook niets nieuws leveren, weinig kritiek, maar een levendige voorstelling." Het werk staat dus met name in dienst van een toekomstig katholiek onderwijs waar katholieke voormannen in die tijd steeds meer naar begonnen te streven.
Het moest een algemeen overzicht van de Nederlandse geschiedenis worden van waaruit bijvoorbeeld schoolboeken geschreven zouden kunnen worden.
Al in 1870 had de onvermoeibare Nuyens trouwens zelf al zo'n schoolboekje geschreven.
Wanneer Nuyens hier zegt niets nieuws te zullen leveren, doelt hij op nieuwe historische feiten uit nieuw ontdekte bronnen.
De opzet en de totale visie van waaruit zijn boek geschreven is, was wel degelijk nieuw voor zijn tijd.
Twee belangrijke punten vallen de moderne lezer op.
Allereerst wil hij een echte vaderlandse geschiedenis schrijven, dus niet een geschiedenis die pas begint met de opstand en het ontstaan van de republiek.
Laten we ter verduidelijking Nuyens' werk even vergelijken met het handboek der geschiedenis van het vaderland van Groen van Prinsteren.
Mijn eigen tweedelige uitgave van Groens werk omvat ongeveer 900 bladzijden.
Daarvan zijn er maar 50 gereserveerd voor de geschiedenis van voor 1517.
Met andere woorden, Groens vaderlands geschiedenis begint pas echt goed op het moment dat hij voor dat vaderland protestantse wortels kan onderscheiden.
Wel nu de eerste leidende gedachte in het overzichtswerk van Nuyens is dat de geschiedenis van het Nederlandse volk niet begint in de 16e eeuw, maar veel vroeger.
Niet alleen Willem van Oranje, Olde Barneveld, stadhouder Willem III, Rembrandt en PC Hooft zijn grote vertegenwoordigers van het volk der Lage Landen geweest. Maar ook Godfried van Bouillon, de Hollandse graaf Willem II, Thomas Acampis en Geert Grote, om er maar een paar te noemen.
Nuyens zag de middeleeuwen als een volwaardig onderdeel van de vaatlandse geschiedenis.
Terwijl Groen deze periode toch niet veel meer zag als een soort historische achterbuurt.
Lang bleef de vroege kerkgeschiedenis zich voor de gemiddelde protestant concentreren rondom het boek van Handelingen en het jaar 1517.
De geschiedenis sprong als het ware met zeven mijlslaarzen van Paulus naar Luther.
want daartussenin lag alleen maar bederf en duisternis.
En was er wel wat goeds te ontdekken, als bijvoorbeeld de moderne devotie, dan haaste men zich vertegenwoordigers als Geert Grote als voorlopers van de reformatie uit te roepen.
Het katholicisme begon pas in het protestants bewustzijn te leven bij de aflatenhandel, evig verbonden met de naam van de aflaatpredaker Tetzel.
Dit naar aanleiding van het eerste kenmerk van Nuyens algemene geschiedenis, de grote ruimte die voor de middeleeuwen is ingeruimd.
De impliciete boodschap was hier natuurlijk, wij katholieken hebben in de nationale geschiedenis de oudste papieren.
Jullie kunnen ons niet zomaar buitensluiten en ons als een niet-volk blijven beschouwen.
Cornelis Schuit componeerde ook met Hollandse teksten.
Luistert u naar een kanon met een korte tekst ontpleend aan een opschrift op een schild dat de voorgevel van het Leids Stadhuis sierde.
Luistert u naar Bewaar Heer Holland en Zalig Leiden.
Een gebed dat verwijst naar het beleg van Leiden.
[00:48:36] Speaker B: Bewaak de hond, en zal het leren.
de waarderoodheid van de Heer is aanwezig Er waart hier bood, er waart hier bood, er waart hier bood, er waart hier bood, er waart hier bood, er waart hier bood, er waart hier bood, Bewaart er hoort, bewaart er hoort, bewaart er hoort, bewaart er hoort, bewaart er hoort, bewaart er hoort, bewaart er hoort, bewaart er hoort, ZANG EN In wachten op MUZIEK de vijfde deel van de dag, zonnetje en zonnetje.
[00:50:51] Speaker A: Toch moeten we ook weer niet de fout maken te denken dat de vaderlandse middeleeuwen door Nederlandse katholieken ontdekt is.
niets is minder waar.
Een schrijver die ruime generatie eerder optrad, en voor wie Albert Diktijm een grote bewondering koesterde, was Willem Bilderdijk.
Bilderdijk wordt terechtgezien als dé vertegenwoordiger van de romantiek in ons land.
Maar hij was ook protestant.
Net als zoveel andere romantici voelde Bilderdijk zich niet thuis in zijn eigen tijd.
zijn uitspraak, deze eeuw zal nooit de mijne zijn, drukte zijn verachting uit voor de moderne tijd, de tijd van technische uitvindingen en revoluties.
En anders dan schrijvers als Potgieter zag hij ook niets in de koopmansrepubliek van de zeventiende eeuw.
Nee, hij voelde zich meer dan aangetrokken tot de middeleeuwen.
van zijn geschiedenis des vaderlands spelen maar liefst vijf van de twaalf delen voor het jaar 1555.
Wat ook opvalt is de genadige behandeling van Philips II.
Zelfs Alfa krijgt een paar goede woorden.
De geuzenleiders worden sterk veroordeeld en de volteringen van katholieke martelaars verafschuwd.
Ook heeft hij sympathie voor sommige katholieke theologische opvattingen.
Iemand als Walter Scott heeft met zijn fascinatie voor de middeleeuwen ongetwijfeld ook vele Nederlandse schrijvers beïnvloed.
Zowel Schotland als Holland waren door het Calvinisme beroofd van hun kapellen en legenden, hun kloosters en hun openbare kerkfeesten.
En in de 19e eeuwse literatuur kan men heimwee naar die vervlogen tijden vinden in dichtwerken en historische romans van bekende Nederlandse literatoren uit die tijd.
Maar zowel Scott als zijn Nederlandse beronderaars waren protestant en begrepen de middeleeuwen slechts van de uiterlijke kant, in de sfeer van verbeelding en sentiment.
Ik kan het hier niet laten de jonge protestantse dichter en theoloog Nicolaas Beets even te laten horen.
Luistert u hoe hij de middeleeuwen ziet.
Men scheldt steeds op der middeleeuwen nacht.
Tis waar, Europa lag in een nacht verzonken.
Die afschuw baart aan ons verlicht geslacht.
Maar het was een nacht waarin de starren blonken, van ridder-eer en heldenmoed en kracht.
Daar waren toen geen kunstenaars, geen geleerden, geen schrijvers en geen dichters bij de vleet, maar mannen die zich mannelijk het lijf verweerden, en in wie er vuist het zwaard zich helder deed.
Geen redenaars die als zienars redeneerden, maar helden, trouw aan koning, eer en eed.
en waar een troubadour de harp bespeelde.
Hij zong de strijd waarin hij zelf ook deelde.
In Beets' enthousiasmerende visie zien we dus een volstrekte miskenning van het geestelijk gehalte van de middeleeuwse cultuur.
Geen kunstenaars, schrijvers, dichters ontwaard Beets in de middeleeuwen, maar vechtersbazen domineren dit tijdsgevricht.
De middeleeuwen als een tijd van schilderachtige helden, van ridder-eer, heldenmoed en koningstrouw.
De katholieke cultuurhistoricus Gerard Brom schrijft ooit eens treffend dat in dit soort beeldvorming over de middeleeuwen meer de sfeer van Achilles en Agamemnon heerste dan van Thomas van Aquino en Lodewijk de Heiliger.
Nog een instrumentaal werkje van Cornelis Schuyt.
[00:55:37] Speaker B: MUZIEK INTROMUZIEK MUZIEK MUZIEK MUZIEK.
MUZIEK.
MUZIEK MUZIEK
[00:58:42] Speaker A: Dit alles dus naar aanleiding van het eerste kenmerk van Nuiens algemene vaderlandse geschiedenis.
De grote aandacht voor de middeleeuwen.
Het tweede kenmerk, het boek bevat een algemene geschiedschrijving die voor het eerst het gehele Nederlandse verleden beschouwt vanuit katholiek standpunt.
De antikatholieke wijze van voorstellen in andere werken, de hatelijkheden die er vaak in werden gedebuteerd, zij hebben er volgens Nuyens voor gezorgd dat veel katholieken überhaupt weinig meer lazen en dus buitengewoon opbekend waren met onze landsgeschiedenis.
We raken hier aan een probleem waarmee ook andere katholieke voormannen in de 19e eeuw geconfronteerd werden.
Katholieken lazen niet.
Een mentale schuilkerkenmentaliteit, de neiging zich in eigen sociale wereld terug te trekken, de geringe deelname aan hoger onderwijs en cultuur en het dominante antipapisme maakten veel gelovigen niet alleen kopschuw, maar voeden ook een zekere anti-intellectuele mentaliteit.
Een cultureel blad als De Wachter werd grotendeels volgeschreven door de twee oprichters, Nuyens en Schaapman.
En het blad zal nooit meer dan 600 lezers gehad hebben.
Het is tijd ons drieluik over Willem Nuyens af te ronden.
Onvoorstelbaar de werkkracht van deze man.
Bewonderenswaardig wat deze arts gepresteerd heeft.
Hij was zeker niet de grootste historicus die ons land in de negentiende eeuw kende.
Fruin en Groen van Prinsenruim overtroffen hem in bronnengebruik en taalkundige vormgeving. Maar wij moeten hem blijven gedenken en eren als de pionier die voor het eerst in de geschiedschrijving de katholieke Nederlanders een volwaardige plaats gaf in de nationale beeldvorming, zonder zich te buiten te gaan aan intolerante vooroordelen.
Nuyens was een echte Nederlander. Hij combineerde een gematigde instelling met een voor die tijd ontmerkelijke tolerantie ten aanzien van anderen.
Terwijl hij, als hij het nodig vond, het publieke debat niet uit de weg ging.
Beste luisteraar, ik hoop u volgende keer weer bij De Ladder van Jacob aan te treffen.
Gegevens over de muziekfragmenten en de literatuur die hier gebruikt zijn vindt u in de programma-toelichting van deze aflevering, op de site van Radio Maria bij dit programma, in de programma-toelichting en op de podcast-platforms waar u zich ook kunt abonneren op De Ladder van Jacob.
Ik dank u weer voor uw gewaardeerde aandacht.
U hebt geluisterd naar De Ladder van Jacob door Theo Parlevliet.