Episode Transcript
[00:00:00] Speaker A: Beste luisteraar, weer hartelijk welkom bij De Ladder van Jacob.
U gaat luisteren naar de tweede uitzending in een serie van drie over de Engelse historicus Christopher Dawson.
We hebben in de eerste uitzending een korte schets van zijn jeugd en zijn sociale afkomst gegeven.
We hebben gezien hoe hij uit een Anglikaans en aristocratisch milieu afkomstig was.
Grootvader Anglikaans geestelijke, vader officier in het Brits leger, een moeder met grote belangstelling voor literatuur, een enorme familiebibliotheek. Na als jong kind huisonderwijs gehad te hebben wordt hij naar internaten gestuurd, public schools, en gaat dan later naar Oxford waar hij geschiedenis studeert.
In Oxford begint Dawson zijn weg naar de katholieke kerk.
In 1914 wordt hij na jarenlange studie en overweging in de katholieke kerk opgenomen.
Vervolgens hebben we als inleiding in zijn werk gesproken over de relatie die hij ziet tussen cultuur en godsdiensten.
Een van zijn kerngedachten.
Alle grote historische culturen hebben berust op een religieuze fundering.
Dat wil zeggen op een erkenning van een andere, een transcendente werkelijkheid.
Vervolgens hebben we met behulp van de catechismes van de katholieke kerk de gedachte uitgewerkt dat de mens van nature een godsdienstig wezen is.
Een idee dat we ook bij antieke denkers konden aantreffen. We zagen als voorbeeld een gedachte van Aristoteles.
Dat is ook de basis waarop de cultuuropvatting van Dawson stoelt.
Maar dan reist het natuurlijk onmiddellijk te vragen hoe het met het huidige Europa gesteld is.
en ooit de bakermat van een christelijke cultuur ziet Dawson een proces van secularisering optreden. Hier niet alleen in de betekenis van ontkerkelijking, maar vooral ook in de betekenis van gescheiden worden van de christelijke godsdienst en de cultuur.
We hebben een paar voorbeelden gegeven uit de sfeer van de Europese Unie.
In deze uitzending willen we het vooral hebben over de manier waarop volgens Dawson een christelijke cultuur in Europa is ontstaan en zich verder heeft ontwikkeld.
Voordat we wat uitvoeriger ingaan op het beeld dat Dawson ons schildert van de vroege middeleeuwen, het tijdvak waarin in Europa een christelijke beschaving ontstaat, is het goed om eerst zijn visie op de middeleeuwen in een breder perspectief te plaatsen.
Want Dawson polemiseert in zijn werk implicit met twee opvattingen.
In de eerste plaats kunnen wij zijn werk zien als kritiek op een school van rationalistische historici die in het verlengde van renaissance en verlichting de middeleeuwse geschiedenis zagen als een periode van lauter intellectuele duisternis, van sociale stagnatie.
Een doelloze duizendjarige zwerftocht in de wildernis tussen de wereld van de klassieke cultuur en het beloofde land van de moderne verlichting en de moderne vrijheid.
Het is overigens niet moeilijk te begrijpen hoe dit beeld ontstaan was.
De vroege middelleden waren economisch inderdaad een periode van stagnatie of achteruitgang zelfs. Politiek waren er tijden dat de staat praktisch weggesmolten leek, samen met de klassieke traditie van burgerschap en publiek recht.
Ook intellectueel was er het nodige verloren gegaan.
Maar Dawson laat ons zien dat ondanks dit alles de zich vormende westerse cultuur een verbazingwekkende geestelijke energie kende, onafhankelijk van politieke macht of economische voorspoed.
Tegenwoordig zien we in de media voortdurend nog een soort populaire neerslag van die rationalistische schol.
Alles wat de moderne mens met afschuw vervult, wordt al snel als middeleeuws gebrandmerkt.
of nu gaat om jihadisten die mensen onthoofden, of mensen die dieren slecht behandelen, of wat men maar afschuwelijk noemt, het wordt met het grootste gemak middeleeuwen genoemd.
En soms worden zaken middeleeuws genoemd die helemaal niet uit de middeleeuwen stammen, zoals de bekende heksenvervolgingen die veel meer een fenomeen vormen uit de 16de en 17de eeuw.
Maar gelijktijdig is het van belang te benadrukken dat Dawson visie op de middeleeuwen ver weg blijft van romantische idealisering of religieuze propaganda.
Zijn werk laat zich niet lezen als een neogotisch platenboek waarin de katholiek weg kan zwijmelen in een ideale katholieke wereld.
Zijn boeken over deze periode dienen nu juist gezien te worden als een noodzakelijke correctie op het werk van veel katholieke schrijvers in de negentiende eeuw, die in een reactie op het beeld van de duistere eeuwen, als een periode van gotische barbaarsheid en onwetendheid, van die geschiedsschrijving vooral een apologetische bezigheid gemaakt hadden.
Het feit dat de Europese cultuur gedurende meer dan een millennium een christelijke genoemd kan worden, mag ons volgens Dawson niet blind maken voor het feit dat de doordringing van die cultuur door het christendom nooit volledig is geweest.
Zeker het christendom schiep in Europa een nieuwe wereld en het verschafte voor zeer lange tijd de belangrijkste geestelijke impuls in die nieuwe beschaving, maar het valt er nooit volledig mee samen.
Het oude conflict tussen de kerk en de wereld blijft ook dan voortduren en de pogingen van de kerk om oude barbaarse elementen te kerstenen lukken vaak maar ten dele.
Het is heel wel mogelijk bijvoorbeeld in de kruistochten een poging van de kerk te zien het agressieve ethos van de Germaanse barbaar te verzoenen met de morele idealen van het Christendom.
Een slechts gedeeltelijk geslaagde poging, de agressieve instincten van de Germaanse krijgsman te sublimeren in termen van religieus idealisme.
In dit verband schrijft Dawson bijvoorbeeld over de kruistochten dat zij, en ik citeer, het hoogste en het laagste in de middeleeuwse samenleving hebben uitgedrukt.
Zowel de agressieve hebzucht van een Caro van Anjou als ook de heroïsche zelfverlogening van een Lodewijk de Heilige.
In dit verband benadrukt Dawson dat geen enkele historische periode, ook de middeleeuwen niet, het recht heeft zich christelijk te noemen in een absolute zin.
De enige verdienste van een christelijk tijdperk als de middeleeuwen is dat het een geestelijk tekort erkent en open staat naar God en de geestelijke wereld.
Daar waar onze huidige cultuur zich steeds meer afsluit voor God en die geestelijke wereld.
Met andere woorden, Dolson is een serieus en genuanceerd denkend historicus die zich in zijn werk zowel verzet tegen een idealisering van de middeleeuwen, maar ook tegen het beeld van een louter donkere middenperiode tussen oudheid en moderne tijd in.
In de korte pauzes van deze uitzending hoort u dit keer wereldelijke muziek en wel pianocomposities van de Catalaan Frederic Montpaul.
De muziek van Montpaul, overleden in 1987, is de laatste jaren steeds bekender geworden.
U gaat luisteren naar Y Font y la Campana uit de bundel Paisajes, Landschappen.
De pionist is Adolf Pla.
[00:09:09] Speaker B: MUZIEK MUZIEK MUZIEK MUZIEK.
[00:11:50] Speaker A: Nu gaan we kijken naar de meer specifieke opvattingen van Dawson over het ontstaan van de christelijke cultuur in Europa.
En komen dan meestal terecht bij wat zonder meer het bekendste boek van hem is geweest, The Making of Europe, ooit hier vertaald als De Schepping van Europa.
In dit boek laat Dawson zien hoe de identiteit van Europa gevormd wordt in de periode tussen circa 400 en 1000 na Christus.
Dat was dus in de periode die in de geschiedschrijving stevast werd aangeduid als de duistere eeuwen.
Het betreft hier inderdaad niet een periode van politieke stabiliteit, van grote welvaart, van indrukwekkende artistieke prestaties of van belangwekkende wetenschappelijke ontdekkingen.
Dawson schetst het ontstaan van de Europese beschaving vooral als een intern, organisch proces dat zich niet primair uit in opzienbarende uiterlijke prestaties.
De nadruk die hij zoals altijd legt op de geestelijke elementen in de cultuur maakt het ermogelijk zo helder en doordringend voor onze schilderen hoe alle kenmerken die wij als fundamenteel zien voor ons begrip van een Europese identiteit al in de 11e eeuw aanwezig zijn.
In The Making of Europe onderscheidt Dawson vier fundamentele elementen die cruciaal zijn geweest voor het ontstaan van onze beschaving.
Daar is op de eerste plaats het Romeinse Rijk.
Het is het Rome waaraan wij schatplichtig zijn voor het bewaren en doorgeven van de beschaving van het antieke Griekenland, waaruit Europa geput heeft voor haar meest onderscheidende prestaties op het gebied van wetenschap, filosofie, literatuur, kunst en politiek denken.
Het is ook het Romeinse Rijk geweest, vooral in de persoon van Julius Caesar, dat het continentale Europa verbond met de culturele eenheid van het Middellands Zeegebied.
In een vier eeuwen durend proces van romanisering introduceerde Rome de stad in continentaal Europa en de daarmee verbonden ideeën betreffende burgerschap en burgertraditie.
De Romeinse soldaat en de militaire ingenieur treden op als belangrijkste agenten in deze expansie.
De Romeinse cultuur raakte in belangrijke mate geseculariseerd en de verspreiding van de vele mysteriegodsdiensten binnen het Rijk vullen het religieuze vacuum op dat ontstaan was.
In deze wereld verscheen het Christendom.
zoals Dawson er geschrijft als een frisse ademtocht.
En daarmee verscheen natuurlijk de katholieke kerk op het historische wereldtoneel als het geestelijke vormende element van het latere Europa.
Behalve dat de kerk in de laatste fase van het Rijk steeds meer het eenheidsprincipe leverde, ging de kerk in het westelijk deel van het Rijk geleidelijk ook steeds meer de plaats innemen van de oude civiele organisatie.
In de chaos van de volksverhuizingen werd de bischop de belangrijkste vertegenwoordiger van de stedelijke gemeenschap.
Het derde element is dan de klassieke traditie.
Dawson schrijft Als Europa zijn politieke bestaan dankt aan het Romeinse Rijk en zijn geestelijke eenheid aan de katholieke kerk, is het voor zijn intellectuele cultuur schuldplichtig aan een derde factor, de klassieke traditie.
Volgens Dawson is het samengaan van deze twee tradities in de vierde en vijfde eeuw, die van de kerk en de Bijbel enerzijds en die van de klassieke anderzijds, cruciaal geweest.
De klassieke cultuur was primair literair georiënteerd.
Het rhetorische opleidingsideaal, stammend uit de vijfde eeuw voor Christus en verder ontwikkeld in de scholen van de Hellenistische wereld, domineerde de klassieke wereld en de succesvolle rhetoricus was het idool van het toenmalige ontwikkelde publiek.
Denkt u bijvoorbeeld aan Cicero.
Zonder begrip voor dat ideaal is de vroege loopbaan van iemand als Augustines eenvoudigweg niet te begrijpen. Het begrip retorica had natuurlijk een veel wijdere betekenis dan wij er nu aan hechten.
Het was de culminatie van de hele cyclus van de vrije kunsten, de Arctes Liberales, de voorlopers van het middeleeuwse quadrivium en trivium.
De verzoening tussen die twee tradities was overigens geen vanzelfsprekende.
In de tweede eeuw kon de christelijke auteur Tertullianus zich nog afkeurend afvragen wat Athene in hemelsnaam met Jeruzalem te maken had.
En in dat verband kon deze Tertullianus verwijzen naar passages bij Paulus waar deze de stylistische sierlijkheid en de wijsheid van de wereldse filosofen afwijst.
Zo kunnen we bijvoorbeeld in de eerste brief aan de christenen van Corinthe lezen.
De wijze, de geleerde, de redentwister van deze tijd, waar zijn ze?
Heeft God de wijsheid van de wereld niet tot waasheid gemaakt?
Maar andersom, met hoeveel minachting zagen vele vertegenwoordigers van de klassieke beschaving de christenen niet als vijanden van de cultuur.
Zo haalt Dawson de rhetoricus Maximus van Madaura aan, die in zijn correspondentie met Augustines het christendom als een heropleving van oosterse barberij ziet, waarin men de vereering van gratisvolle figuren van de klassieke goden wil vervangen door de cultus van terechtgestelde misdadigers.
Trouwens, ook Augustines zelf heeft trouwens in zijn jonge jaren de Bijbel teleurgesteld, opzijgeschoven, omdat hij daar niets vond van zijn klassieke gading.
Hij gruwelde van het taalgebruik, daarbij natuurlijk ook niet geholpen door de wat primitieve Latijnse vertaling waarover hij beschikte.
Augustines las ze, voor zover wij weten, geen Grieks.
Aan de wijze waarop de twee tradities zich met elkaar verzoend hebben, wijt Dawson vele geleerde en elegant geformuleerde beschouwingen.
Hij laat ons zien hoe de Ciceroniaanse traditie een essentieel onderdeel wordt van de nieuwe christelijke cultuur.
Hoe bijvoorbeeld Ambrosius zijn preken opziert met vele citaten van Vergilius, Horatius en Cicero.
De invloed van de klassieke traditie is zelfs nog pregnanter in de opkomst van een nieuwe christelijke Latijnse provozie, met als hoogtepunt van die samensmelting de dichter Prudentius.
Dalsen laat ons zien hoe zonder deze verzoening van de kerkelijke en de klassieke tradities de Europese beschaving er geheel anders zou hebben uitgezien.
Het is aan de rhetoricus en zijn opvoedingsideaal dat wij de overleving van de klassieke literatuur en de hele traditie van het humanisme te danken hebben.
Wij zouden zonder de klassieke erfenis geen traditie van wereldse wetenschap en wereldse literatuur gekend hebben.
De hogere cultuur zou geheel religieus van karakter gebleven zijn.
En de typische geesteshouding van een rationele en kritische houding tegenover leven en natuur zou niet tot ontwikkeling gekomen zijn.
Dolson maakt het ons niet makkelijk, want enerzijds heeft de wederzijdse bevruchting van de geestelijke en literaire traditie geleid tot een enorme rijkdom en anderzijds tot een zeker dualisme en zelfs disharmonie in de Europese cultuur.
Iets wat we veel minder vinden in beschavingen van een eenvoudigere of meer uniform type.
Een gedachte die hij in andere geschriften uitvoeriger heeft uitgewerkt.
Maar ook hier zien we, Dawson is geen simplificateur.
De weerbarstige historische werkelijkheid probeert hij als historicus altijd recht te doen.
U gaat nu weer luisteren naar pianomuziek van Federico Mompol, ditmaal gespeeld door de componist zelf.
Het stuk heet Het Meer en komt uit dezelfde bundel Landschappen.
[00:21:57] Speaker B: MUZIEK MUZIEK MUZIEK MUZIEK
[00:24:51] Speaker A: Wat hebben we tot nu toe in deze uitzending gezien?
We zijn begonnen met de vaststelling dat Dawson zich in zijn werk impliciet keerde tegen het traditionele negatieve beeld van de middeleeuwen als een soort tussenperiode van achterlijkheid, armoe en religieus bijgeloof.
Een soort betreurenswaardige periode tussen de oudheid en de moderne tijd in.
Maar ook keerde hij zich tegen een naïeve idealisering van de medeleven, waaraan sommige katholieke schrijvers zich vroeger hebben bezondigd als een reactie op die negatieve beeldvorming.
En we hebben vervolgens gezien dat Dawson in zijn The Making of Europe de periode van circa 400 tot 1000 na Christus behandeld.
Een periode die vooral in vroegere dagen als de donkere eeuwen werd betiteld, maar door Dawson wordt beschreven als een periode waarin een geheel nieuwe wereldbeschaving ontstaat.
En vervolgens hebben we nog gezien dat om de woording van Europa te begrijpen hij vier belangrijke elementen onderscheidt.
We hebben tot nu toe drie bouwstenen in de vorming van de Europese beschaving gezien. Het Romeinse Rijk, de Katholieke Kerk en de klassieke traditie.
Dawson onderscheidt nog een vierde bouwsteen in zijn The Making of Europe.
Het zijn de barbaren die het menselijke materiaal verschaffen waaruit Europa gevormd is.
Ze zijn de djentes, de volkeren, de bron van het nationale element in het Europese bestaan, tegenover het imperium, het rijk, en de ecclesia, de kerk.
Hij vergeet in dit verband niet zich te distancieren van het eenzijdige romantische nationalisme zoals we dat in de negentiende eeuw kunnen aantreffen bij allerlei teutoonse en panslavistische scholen.
Of bij de primitieve twintigste eeuwse varianten ervan denkt u bijvoorbeeld aan het nationaal socialisme.
Barbaren, alweer zo'n term die door de hedendaagse progressieve groegemeente in de ban is gedaan.
Maar Dawson bedoelt er groepen mee die leven op basis van het principe van de verwantschap, in plaats van het burgerschap en de autoriteit van de staat.
Het gaat hier om een ontwikkeling van Europese idealen van persoonlijke vrijheid en zelfrespect, gebaseerd op een geest van loyaliteit en toewijding aan de gemeenschap.
terwijl in Britannië en Duitsland de samenleving nog langere tijd een tribale bleef.
dus gebaseerd op stamverwantschap, zien we in het gebied tussen Rijn en Loire dat daar de barbaarse, tribale, Frankische samenleving en de Romeinse samenleving elkaar in gelijkwaardigheid tegemoet treden.
En dat daar de omstandigheden voor een proces van fusie en eenwording het gunstig zijn.
Dat gebied tussen Rijn en Loire is bij Dalsen het kerngebied voor de verdere ontwikkeling van de Europese cultuur.
Hier vindt de uiteindelijke synthese plaats tussen het Germaanse Noorden, de geestelijke orde van de kerk en de tradities van de klassieke cultuur.
Hier zal later de gotiek geboren worden.
Hier zullen de meeste monastieke en kerkelijke hervormingsbewegingen ontstaan. Hier verschijnt voor het eerst het feodalisme en het ridderideaal.
En hier zullen de eerste kruistochten worden uitgeroepen, waarin het christelijk ideaal en het Germaanse krijgersideaal samensmelten.
In deze periode, periode van 400 tot 1000, in deze periode van uiterlijke duisternis en politieke anarchie, zijn er twee geestelijke factoren werkzaam in West-Europa die de kiemen voor een nieuwe civilisatie leggen. De paus en de kloosters.
De geest die spreekt uit het werk van de pauze ziet men volgens Dawson vooral in het werk van Gregorius de Grote, die te midden van de puinhopen van een stervende oude beschaving nieuwe beslissende initiatieven neemt, zoals de vestiging van een nieuw centrum van katholieke en Latijnse cultuur in Engeland.
We hebben daar kort geleden over gehad in verband met het boek van Beda.
Van eminent belang is natuurlijk ook de nieuwe Benedictijnse kloostergeest geweest.
Het was vooral via de kloosters dat de kerk een direct vormende invloed uitoefende op de gehele culturele ontwikkeling in deze periode.
ontstaan in de Afrikaanse woestijn, werd het kloosterleven op beslissende wijze veranderd door Augustines, die zich veel meer liet inspireren door het gemeenschappelijke leven van de vroegste kerk, veel meer dan door het radicale ascetisme van de Egyptische monniken.
Hij was het die het kloosterleven verbond met het priesterschap, wat de ontwikkeling van het Westerse kloosterwezen diepgaand heeft beïnvloed.
Het was in het romen van Paus Gregorius dat de Benedictijnse traditie, op zichzelf ook al een noodzakelijke correctie op de oosterse radicale wereldverachting, gecombineerd werd met de idealen van Augustines.
Geboren als een authentieke protestbeweging tegen de klassieke Grieks-Romeinse beschaving, zorgen de kloosters in deze periode ervoor dat de geschriften van veel klassieke auteurs bewaard blijven.
En leren zij de Europianen het Latijn.
Tegelijkertijd spelen de kloosters een hoofdrol in de verdere kerstening van Europa.
In deze periode van onveiligheid, wanorde en barbaredom belichaamt de Benedictijnse regel het ideaal van geestelijke orde en gedisciplineerde morele activiteit.
En worden de kloosters oases van vrede en beschaving in een oorlogszuchtige omgeving.
In een agrarische omgeving vervangen de kloosters als het ware de verdwenen antieke stad.
Wanneer Dawson de beroemde negendeeuwse plattegrond van Sankt Kallen bekijkt, ziet hij, en ik citeer, een soort miniatuurstad waarvan de muren, kerken en scholen, werkplaatsen en graanpakhuizen, ziekenhuizen en badhuizen, molens en boerderijen omsluiten.
Het is onmogelijk in de geschiedenis van de vroege middeleeuwse civilisatie het belang van het Karolingische klooster te overdrijven.
Hier hebben we te maken met een instituut dat steunde op een zuivere agrarische economie en tegelijkertijd de belichaming vormde van de hoogste geestelijke en intellectuele cultuur van dit tijdvak.
Aldus, Dawson.
Er zijn meerdere redenen om uit het vele dat Dawson over de middeleeuwen geschreven heeft, ook in andere boeken, juist het belang van de kloosters te lichten.
Zelf komt hij er talloze malen op terug, soms in hele uitgewerkte hoofdstukken, soms in punto geformuleerde korte passages ter ondersteuning van een of ander breed opgezet betoog.
In de eerste plaats ziet hij in de middeleeuwse kloosters religie en cultuur in de meest volledige eenheid opgaan.
De nieuwe cultuur die in de vroege middeleeuwen langzaam en moeizaam begint te groeien, was in een zeer speciale betekenis een religieuze schepping, omdat hij gebouwd was op een kerkelijke en niet op een politieke eenheid.
In tegenstelling tot het oosten, waar de rijkseenheid onder een keizer nog bleef bestaan, was de staat in het westen, uitgezonderd een kort Carolingisch intermezzo, Karel de Grote dus, zwak, barbaars en verdeeld.
Voor zover er iets van beschaving overbleef, was deze rechtstreeks afhankelijk van de kerk.
Als brandpunt van die opkomende christelijke beschaving speelden de kloosters een hoofdrol in opvoeding en onderwijs, literaire cultuur en beeldende kunst en allerlei vormen van sociaal werk, naast hun hoofdtaak van het opus D.
De christelijke kunst was trouwens vanaf het begin een liturgische kunst.
De liturgie als de bron van een rijke traditie van poëzie, muziek, artistieke symboliek en drama.
Even nog een korte opmerking over Dawson's algemene cultuuropvatting. Kort, maar uiterst belangrijk om hem in zijn katholieke kern te begrijpen.
De oorspronkelijke katholieke cultuur in Europa had in diepste wezen een, wat Dawson ergens noemt, een sacramenteel karakter.
Wat bedoelt hij met dat woord sacramenteel in dit verband?
Hij bedoelt met die term dat de godstienstige waarheid belichaamd werd in zichtbare en tastbare vormen. Architectuur, beeldende kunst, poëzie, drama en geschiedschrijving vormen de kanalen voor het zicht op het bovennatuurlijke.
Wanneer Dawson het hier heeft over de relatie tussen de natuur en het bovennatuurlijke, heeft hij het natuurlijk in de eerste plaats over de kerk.
De gemeenschap waar tijd en eeuwigheid, natuur en genade elkaar raken.
En wanneer Dalsen het over de kerk heeft, heeft hij het natuurlijk tegelijkertijd over Christus.
Christus die in de geschiedenis voortleeft in zijn heilige kerk.
Natuurlijk is de volgorde in het denken van Dalsen niet cultuur, kerk, Christus, maar uiteraard andersom.
Christus, zijn kerk, de cultuur.
Het kernwoord in Dawson's cultuuropvatting is dan ook incarnatio, de incarnatie, de menswording van God, wat in de Bijbel wordt uitgedrukt als het woord is vlees geworden.
Centraal in zijn geschietbeeld staat dus de incarnatie, de ontmoeting van de natuur en de bovennatuur, van de tijd en de evigheid, van het menselijke en het goddelijke. De menswording van Christus speelt zich af in Bethlehem onder keizer Augustus. Dus vormt een echt historisch feit.
En is dus geen mythe benadrukt dolsen.
Christus vormt voor hem dus het centrum van de geschiedenis.
Hij is de bron van een permanent proces van vernieuwing, van een vooruitgang die tenslotte zal leiden tot de vergoddelijking van de menselijke natuur door zijn deelnemen aan het goddelijk leven.
De mens werd door God geschapen met het doel om uiteindelijk met het goddelijke verheven te worden.
U gaat nu luisteren naar nummer 6 uit de bundel Liederen en dansen van de Catalaanse 20e eeuwse componist Federico Mompo.
Het stuk dateert uit 1942 en wordt door de maestro zelf gespeeld.
[00:37:54] Speaker B: MUZIEK MUZIEK MUZIEK MUZIEK MUZIEK
[00:41:19] Speaker A: terug naar het belang van de kloosters voor het ontstaan van Europa.
Dawson ziet de kloosterbeweging in het Westen als gekenmerkt door een evenwicht tussen assezen en cultuurproductie, als een samengaan van het mijden van de wereld en van het culturele engagement.
Voor een oppervlakkig denkende moderne geest is het klooster natuurlijk een onmogelijk systeem, gebaseerd als het is op een radicale ontkenning van de drie pijlers waarop iedere maatschappij lijkt te rusten.
Geslachtsdrift, oorlog en economische hebzucht.
Maar Dawson ziet die spanning tussen assezen en engagement zelfs als het eigenlijke dynamische element binnen de christelijke cultuur in haar geheel.
In zijn boek De christelijke cultuur als historische werkelijkheid zegt hij het aldus.
In het christendom gaat de neiging tot een wereldverzakende assezes samen met de neiging tot de sociale en culturele activiteit.
En het is de spanning tussen deze twee krachten welke het christendom zijn karakteristieke macht geeft tot het veranderen van de maatschappij en het scheppen van nieuwe culturele vormen.
In zekere zin valt de geschiedenis van de christelijke cultuur te beschrijven als datgene wat er gebeurde in de 1450 jaar tussen de kloosterstichting door Pagomius in Egypte in het jaar 323 en de opheffing van de Jezuïtenoorde in het jaar 1773.
Veranderingen in het kloosterwezen vormden altijd de uitdrukking van belangrijke ontwikkelingen binnen die christelijke cultuur.
We kunnen een aantal typen van kloosterleven onderscheiden die steeds karakteristiek zijn voor een bepaalde fase in de ontwikkeling van de christelijke beschaving.
We geven hier een voorbeeld van, namelijk de opkomst van de Franciscaner Oorde.
die ziet Dorsen niet primair als een reactie op het sociologische verschijnsel van de opkomst van de Middeleeuwse stad, zoals vaak gebeurt, maar vooral, en op de eerste plaats, als de resultanten van een nieuwe geestelijke houding.
Het ideaal van de heilige Franciscus, het leven van Christus in het dagelijks leven na te leven, heft de scheiding tussen geloof en leven, tussen het geestelijke en het materiële, als het ware, op.
De natuurkrachten, die door de primitieve mens verheerlijkt en aanbeden werden, en die door de ontwikkelde historische wereld religies verworpen werden ten gunste van een evig bestaande, transcendente orde, komen nu als het ware weer in de godsdienst terug.
In zijn beroemde zonnelied bezingt de heilige Franciscus de lof van moeder aarde en van broeder vuur, samen met alle andere heilige schepselen van God.
Dawson schrijft in dit verband.
Zo gezien betekent de Franciscaanse houding tegenover de natuur en het menselijk leven een keerpunt in de geschiedenis van de religie in het Westen.
Hij betekent het einde van een lange periode waarin de menselijke natuur en deze wereld in het niet vallen en tot onbewegelijkheid gedoemd waren door de schaduw van de eeuwigheid.
En hiermee begint een nieuw tijdvak, dat van het humanisme en de belangstelling voor de natuur.
Maar Dalsen laat er geen twijfel over bestaan dat de eerste aanzet tot deze veranderingen gezocht moet worden in een verdieping van het geloofsleven.
Want een grotere aandacht voor de menselijkheid van Christus, voor de figuur van de verlosser in zijn menselijke zwakte en zijn lijden, begint de devotie van die tijd te doortrekken.
Een streven om tot een grotere intimiteit met de goddelijke mens te komen leidt tot het ontstaan van een nieuw soort religieus realisme.
In de kunst zien we bijvoorbeeld de strenge gestalten van de Byzantijnse pantocrator steeds meer wijken voor de stervende mensenzoon aan het kruis.
Het is deze geestelijke omslag die de basis legt voor de creatieve en intellectuele kracht van de Franciscaanse invloed op cultureel en wetenschappelijk gebied.
Zonder enige twijfel speelde Franciscanen samen met de Dominicanen een hoofdrol in de 13e eeuw. De eeuw die ook Dawson beschouwt als het hoogtepunt in de ontwikkeling van de christelijke cultuur.
Maar nog via een andere eenvalshoek laat Dorsen zien hoe belangrijk de kloosters waren voor het ontstaan van de christelijke middeleeuwse beschaving.
Wanneer hij de 11e eeuw ziet als het beslissende keerpunt in de Europese geschiedenis, het definitief doorbreken van de westerse beschaving, dan begint deze nieuwe periode met een kloosterhervorming in Lotharingen en Boegondië in de 10e eeuw.
De kerk had zwaar geleden onder de desintegratie van het staatsgezag na de ineenstorting van het Carolingische Rijk en de barbaarse invallen door Noormannen, Saracenen en Hongaren.
Maar nog veel grotere schade werd toegebracht door de wijze waarop veel feodale heren omgingen met kerkelijke functies en kerkelijke goederen.
Kloosters en bisdommen werden als leengoederen verhandeld of zelfs door geweld verworven.
Een totale feodalisering van de kerk dreigde.
Het was in kloosters als Cluny in Bourgondië, Bronje in Lotharingen en Kamaldoli in Toskanië dat de basis voor een nieuwe geestelijke hervormingsbeweging gelegd werd.
Die hervormingsbeweging is weliswaar als een autonome geestelijke beweging te beschouwen, gevoed als zij werd vanuit innerlijke geestelijke bronnen, maar haar historische betekenis kreeg zij pas door het bondgenootschap met de paus.
Al in de 8e eeuw zien we een soort voorafschaduwing van die alliantie in het optreden van Bonifatius.
zijn missionerende optreden in de Duitse gebieden en zijn hervormende optreden in het Frankische Rijk krijgen pas een historische betekenis door zijn verbinding met Rome.
Het bondgenootschap tussen Rome en de hervormingsbeweging zien we veel later duidelijk belichaamd in het korte pontificaat van Paus Leo IX, die als bischop van Toel lange jaren een van de leidende figuren van de beweging was geweest in Lotheringen.
Met hem eindigde voorlopig een periode dat het pauschap zelf gefeodaliseerd was en een speelbal vormde van elkaar bestrijdende Romeinse adellijke families.
We zien de verbinding ook in het optreden van Paus Urbanus II, zelf een voormalige prior van Cluny.
Maar nog duidelijker zien we de alliantie belichaamd in het streven van Paus Gregorius VII.
Zijn streven om de kerk definitief te bevrijden van haar feodale afhankelijkheid.
Hoogtepunt van deze ontwikkeling valt in de dertiende eeuw.
Dawson schrijft in dit verband Er kan weinig twijfel over bestaan dat de stichting van de universiteiten en de oprichting van de nieuwe religieuze orders onderdeel uitmaakten van een verrijkend ontwerp van het middeleeuws bouwschap voor de intellectuele organisatie van de christelijke beschaving.
Het is een van de meest opmerkelijke voorbeelden van het op grote schaal plannen van de cultuur uit de geschiedenis.
Zoals eerder al gezegd, als kraamkamer van die christelijke cultuur kan het gebied tussen Loire en Rijn gelden.
Hier vinden we het eigenlijke thuisland van de Europese beschaving.
Hier vinden we de oorsprong van de gotische kunst, van de grote middeleeuwse scholen, van het idee der kruistochten, maar vooral van de kerkelijke hervormingsbeweging.
Maar het is uiteindelijk de verbinding tussen de paus en de kerkelijke en monastieke hervormingsbewegingen die beslissend zijn geweest voor de vorming van die culturele synthese.
De alliantie tussen paus en monniken ziet Dolson als dé vormende kracht in de middeleeuwse geschiedenis.
Zolang deze samenwerking duurde, bijna 2,5 eeuw, heeft de kerk een dynamische invloed uitgeoefend op bijna ieder aspect van de toenmalige beschaving.
Pas als hervormingsbewegingen zich buiten en zelfs tegen de paus beginnen te ontwikkelen, zoals we zien bij de revolutionaire hervormingsbewegingen van Wycliffe en die van de Hussiten, gaat het mis.
Herhaaldelijk benadrukt Dawson dat de reformatoren in hun uiteindelijke breuk met de kerk het meest schadelijk zijn geweest toen zij het kloosterleven afwezen.
Met de reformatie in de visie van Dawson wil ik volgende keer beginnen.
Ik neem afscheid van u met Mompo's Caros de Galicia, een stuk uit 1960, gespeeld door de componist zelf.