Episode Transcript
[00:00:00] Speaker A: Goedendag beste luisteraar bij deze voorlopig laatste uitzending van De Ladder van Jacob.
Voorlopig, want ik hoop u aanstaande september weer bij Radio Maria aan te treffen.
Ik geef u nu eerst een korte samenvatting van de twee voorafgaande programma's over de Engelse cultuurhistoricus Christopher Dawson.
Dorrelson hebben we gezien gold in de decennia voor het Tweede Vaticaanse Concilie als een prominent katholiek geleerde, maar de aandacht voor zijn werk is de periode daarna sterk verminderd.
Vandaag de dag lijkt de belangstelling voor zijn werk met name in de Verenigde Staten weer opgebloeid.
We hebben in de eerste uitzending een korte schets van zijn jeugd en sociale afkomst gegeven.
We hebben gezien hoe hij afkomstig was uit een gelovig Angelikaans aristocratisch milieu en hoe hij zich in 1914, na een lange tijd van studie en overweging, in de katholieke kerk liet opnemen.
We hebben een van zijn hoofdgedachten toegelicht.
namelijk alle grote historische culturen hebben berust op een religieuze fundering, zoals de mens ook een van nature religieus wezen is.
In de tweede uitzending hebben we gezien hoe Dawson beschrijft hoe er in Europa een christelijke cultuur ontstond in de periode tussen 400 en 1000 na Christus.
En in dat verband hebben we uitvoerig het boek The Making of Europe besproken. Eén van zijn meest bekende.
Maar we zijn begonnen met de vaststelling dat Dawson zich in zijn werk, niet alleen in dit boek maar ook in andere boeken, impliciet keerde tegen het traditionele negatieve beeld van de middeleeuwen als een tussenperiode van achterlijkheid, armoede en religieus bijgeloof.
Een soort tussenperiode tussen de antieke oudheid en de moderne tijd.
Een soort overbodige tussenperiode zou je kunnen zeggen.
Maar hij keert zich ook in zijn werk tegen een naïeve idealisering van de middeleeuwen.
Om het ontstaan van die nieuwe christelijke wereldbeschaving te begrijpen, onderscheidt hij in The Making of Europe vier belangrijke elementen.
Op de eerste plaats het Romeinse Rijk, een idee dat door zal leven in het middeleeuwse keizerschap.
Dan de Griekse beschaving, die de Romeinen als het ware aan ons doorgegeven hebben.
Dan de barbaarse erfenis, zeg maar de Germaanse volkeren.
En dan ter vierde het alles overspannende element, het eenheidmakende element, de kerk, de katholieke kerk.
We hebben gezien dat het gebied tussen Loire en Rijn het kerngebied is van die nieuwe christelijke cultuur.
We bespraken vervolgens uitvoerig het belang van de kloosters in de visie van Dolson en de alliantie tussen paus en hervormingsbewegingen, waarin ook die kloosters een belangrijke rol spelen.
We hebben gezien dat het fout gaat wanneer zulke hervormingsbewegingen zich tegen de paus en de kloosters zelf beginnen te keren.
En daarmee waren we dus vorige week aangekomen aan het eind van de middeleeuwen.
De middeleeuwen zijn afgelopen, de reformatie begint.
We laten eerst Dawson zelf even aan het woord over Luther.
De omstandigheden van Luthers religieuze ombekeer veroorzaakten bij hem een buitengewoon gewelddadige reactie op het kloosterleven en op het ascetisch ideaal waarop dit leven was gebaseerd, vooral het ideaal van de maagdelijkheid.
En dit was een van de meest revolutionaire aspecten van zijn werk, want de monniken waren immers de architecten van het westerse christendom geweest.
Zij hadden de middeleeuwse cultuur beheerst vanaf het begin tot in de dertiende eeuw, toen hun invloed werd vervangen door die van de bedelmonniken, die hetzelfde ascetisch ideaal vertegenwoordigden in een meer volkse en persoonlijke vorm.
Al dus, Dawson over Luther.
Wat de vernietiging van het kloosterleven in de protestantengebieden inzette, was in feite het vroegste begin van de grote secularisatiebeweging die de Europese geschiedenis steeds meer zal gaan kenmerken en die zich natuurlijk pas goed in de 18e eeuw zal doorzetten.
Secularisatie, verwereldelijking, in een enge betekenis slaat de term op het onteigenen van kerkelijk bezit door leken, door een vorst of door de staat.
Tijdens de reformatie gebeurde dat in de protestantse gebieden met name met de kloosters.
In de latere geschiedenis gebeurt het wederom, denkt u bijvoorbeeld aan de Franse revolutie.
Maar het begrip secularisatie, zoals gebruikt door Dawson, heeft meestal een veel wijdere betekenis.
Secularisatie of secularisering, die twee termen gebruik ik door elkaar heen, betekent dat dan in de kern dat er een scheidsmuur wordt opgetrokken tussen cultuur en godsdiensten.
De voornaamste sectoren van de samenleving worden onttrokken aan kerk en geloof.
Door sommigen wordt er in het kader van de secularisatie nog een onderscheid gemaakt tussen ontkerstening en ontkerkelijking.
Ontkerkelijking zou dan nog geen ontkerstening hoeven te betekenen.
Maar als principeel katholiek maakte Dawson dit onderscheid uiteraard nooit.
Voor Dawson is de ontwikkeling van de eerste kiemen van de secularisatie een onontkoombaar gevolg geweest van de reformatie.
De breuk met het kloosterideaal leidde tot een secularisering van de religie zelf, tot een verschuiving in oriëntatie van de kloostergang naar de wereld.
In de afkeer van het kloosterideaal en van de Alcese zien we de vernietiging van het contemplatieve ideaal, zien we de mens in een nieuwe verhouding tot de wereld treden.
Het protestantisme was in wezen een religie van de daad.
In dit verband vraagt Dawson zich in een van zijn boeken af of het wezenlijke verschil tussen katholieke en protestantse opvattingen over de verhouding tussen religie en cultuur geen verband houdt met de verschillende benaderingen van de verhouding tussen geloof. en werken.
Want, zoals Dawson schrijft, zoals de katholieken leren dat er een vitale, organische, onverbrekelijke band bestaat tussen geloof en werken, in tegenstelling tot het protestantse standpunt van rechtvaardiging door het geloof alleen, zo bestaat er volgens het katholieke standpunt ook een organische eenheid tussen godsdienst en cultuur.
Hetgeen de protestante opvatting als regel niet aanvaardt.
Hoe het ook zij.
De geleidelijke secularisering van Europa is in ieder geval ook deels het gevolg van de bitterheid die ontstond door het loorgaan van de kerkelijke eenheid.
Daar was Dawson van overtuigd.
Ook al placht hij zich in zijn naoorlogse boeken, dus zijn boeken na de Tweede Wereldoorlog, in wat mildere termen over het protestantisme te uiten dan in de jaren dertig.
Zoals we in de twee vorige uitzendingen hebben gezien, Dawson houdt zich in zijn werk uitvoerig bezig met de relatie tussen godsdienst en cultuur.
Voor wat betreft Europa en de latere westerse wereld loopt dit bij hem uit op een belangstelling voor twee historische processen.
Eerst is er de periode van de kerstening, met als resultaat de opbouw van een christelijke cultuur die haar hoogtepunt kende in de 13e eeuw.
En vervolgens is er de periode van een langzame ontkerstening en het verschijnen van een geseculariseerde wereld. Een periode die met de reformatie aanvangt, maar in de 18e eeuw pas goed begint.
Ondanks het verlies van de kerkelijke eenheid bleef Europa na de middeleeuwen nog lang een culturele eenheid.
Maar de Europese beschaving beruste na reformatie en renaissance slechts op een gemeenschappelijke intellectuele traditie en op een gemeenschappelijke loyaliteit aan de klassieke in het kader van het humanisme.
Niet meer op een gemeenschappelijk geloof.
De Latijnse grammatica nam de plaats in van de Latijnse liturgie als bindmiddel, zoals Dawson het aan het slot van The Making of Europe uitdrukt.
De humanistische geleerden en de aristocratische gentlemen traden in de plaats van de monnik en de ridder als de representatieve figuren in de Europese cultuur.
Die westerse secularisering beschouwt Dawson als een in de wereldgeschiedenis uniek proces, waarin eerst de eenheid van het christendom vernietigd wordt, protestantisme, vervolgens de christelijke levenswijze steeds meer tot de private sfeer wordt teruggedrongen, het liberalisme, En dan treedt er een derde fase op waarin de gemiddelde mens de sociale wereld als de objectieve standaard voor de werkelijkheid zal accepteren.
De moderne mens zal de innerlijke wereld van geloof en godsdienst steeds meer als subjectief, onwerkelijk en misleidend beleven.
Onze eigen tijd dus.
Protestantisme, liberalisme en totalitarisme zijn drie achtereenvolgende fases waarin onze beschaving zich voortbewoog van katholicisme tot secularisatie.
De eerste, het Protestantisme, schoof de kerk terzijde.
De tweede, het liberalisme, rekende af met het christelijk geloof.
En de derde, het totalitaire denken, ging er met de menselijke ziel vandoor.
over dat totalitaire denken en de betekenis die Dolson daaraan gaf, komen we daar spoedig op terug.
Dit alles leidt natuurlijk tot de vraag, is een dergelijke cultuur zonder religieuze kern, dus vrijwel volledig geseculariseerd, is die überhaupt wel mogelijk?
Wat gebeurt er wanneer de religieuze kern van een cultuur die ooit christelijk was, begint weg te slijten?
Dat zijn de vragen die Dawson in zijn boek Religie en de moderne staat voor ons beantwoordt in het kader van zijn bespreking van de Europese toestand in de jaren dertig.
Dit boek is minder een cultuurhistorische studie als wel een pamflet waarin Dawson zich bezighoudt met de totalitaire opvattingen die in de twintigste eeuw opkwamen en uiteraard probeert hij daar ook een katholiek antwoord op te geven.
In de muzikale pauzes van deze uitzending hoort u geestelijke en wereldlijke koormuziek van de hedendaagse ledse componist Petrice Vasks.
U hoort steeds het leds radiokoor.
Eerst met het uit 1978 stammende voor vrouwenstemmen gecomponeerde Zomer.
[00:13:12] Speaker B: MUZIEK.
O, hoe mooi!
O, hoe mooi! O, hoe mooi!
MUZIEK Blied, liefde, liefde, zorg, zorg, zorg, zorg, zorg, zorg, zorg, zorg, zorg, zorg, zorg, zorg, zorg, zorg, zorg, zorg, zorg, zorg, zorg, zorg, zorg, zorg, zorg, zorg, zorg, zorg, zorg, zorg, zorg, zorg, zorg, zorg, zorg, Mijn zorg zee, mijn zee, dit stel schoonwoord stilaans, schoonwoord stilaans.
TV
[00:17:14] Speaker A: zoals Augustinus in het jaar 410 vanuit Noord-Afrika aan de overkant van de Middellandse Zee de Gotische hoorde zag oprukken naar de poorten van Rome.
Gelderland 2021 Zo zag Dolcen in 1935 het Europese continent steeds meer beheerst worden door nieuwe barbaren, de nationaal-socialisten, de fascisten en de communisten.
Het boek dat hij in dat jaar publiceerde had hij de New Leviathan willen noemen.
Met de Leviathan, de naam van een bijbelsmonster uit de oertijd, wilde Dawson de moderne staat aanduiden.
Maar zijn vriend en uitgever, Frank Sheed, verving helaas die titel door het vlakke en zouteloze religie en de moderne staat.
Religion and the Modern State.
Het boek zal ongetwijfeld door het toenmalige lezerspubliek vooral opgevat zijn als een aanval op de totalitaire regimes van die dagen.
Dawson geeft inderdaad diepgravende analyses en interessante onderlinge vergelijkingen van de communistische, fascistische en nationaal-socialistische ideologieën en laat zien hoe die zich verhouden tot de katholieke visie.
Maar als het boek zich daartoe beperkt had, was voor ons de waarde ervan slechts historisch geweest.
Het bredere kader waarin de schrijver die analyses plaatst, maakt het boek juist voor onze eigen tijd nog zo belangwekkend en relevant.
De beweging van secularisering bracht niet alleen het verlies van religieuze eenheid.
Later zal zij ook leiden tot het verdwijnen van een algemene aanvaarding van de objectief bestaande morele waarden en normen.
Natuurlijk, de Europese beschaving ontleent in de moderne tijd nog steeds veel aan zijn oorspronkelijke geestelijke wortels.
Maar veel nieuwe sociale en politieke idealen en seculiere cultuurvormen vertegenwoordigen slechts gedeeltelijke en eenzijdige overblijfsels van de christelijke traditie.
Dawson geeft een paar voorbeelden hoe nieuwe idealen vaak vormen zijn van eenzijdige overblijfsels van de christelijke traditie.
Ik noem maar hier drie.
Het nationalisme. Het nationalisme dat aan het christendom zijn hooggestemd idee van de natie ontleent.
Maar gescheiden van het christendom wordt het vaak een kracht die haat en verwoesting teweeg brengt.
In het negentiende eeuwse Frankrijk en Duitsland ziet men bovendien hoe de moderne nazistaat een andere eenheid van denken, cultuur en politiek opeist en de kerk als een te bestrijden rivaal behandelt.
Denken we in dit verband aan de strijd die Bismarck en de politici van de Franse derde republiek voerden tegen de kerk.
Tweede voorbeeld, het liberalisme.
Het negentiende-eeuwse liberalisme dat aan het christendom het humanitair idealisme en vooruitgangsgeloof ontleent.
Maar de idealisering van de mensheid, een optimistisch mensbeeld gebaseerd op het vergeten van de diepe wijsheid van de leer over de erfzonde, die idealisering van de mensheid gebruiken veel liberalen als een vervanging van het christelijke geloof in een goddelijke orde.
En dan tenslotte het socialisme.
Het socialisme dat van Jodendom en Christendom zijn passie voor sociale gerechtigheid en zijn messiaanse toekomstverwachtingen overneemt.
Maar met name in het communisme komt het tot een pseudowetenschappelijk atheisme en een praktijk zonder ruimte voor geestelijke en politieke vrijheid.
De dramatische gevolgen van het seculariseringsproces blijven voor 1914 door de liberale dominantie nog deels verborgen in de burgerlijke West-Europese samenlevingen.
De implicaties blijven deels verduisterd door de liberale opvattingen over de noodzaak de omvang en de macht van de staat beperkt te houden.
Na de Eerste Wereldoorlog ziet Dawson echter de ondergang van een 19e-eeuwse liberale staat ruimte scheppen voor het collectivisme en het totalitarisme.
Want het 19e-eeuwse liberalisme is volgens hem in de Europese geschiedenis een tijdelijk verschijnsel dat thuis hoort in de overgangsperiode tussen een christelijk en een geseculariseerd Europa.
De cultuur was al in de 18e eeuw niet volledig christelijk meer, maar Europa behield nog lang vele christelijke morele waarden en normen.
Maar zoals het liberalisme deze morele idealen niet zelf geschapen had, was het ook onmachtig dit geestelijk erfgoed in stand te houden.
Dawson schrijft Wanneer de samenleving eenmaal het pad van de secularisering opgaat, kan zij geen halt meer houden in het tussenstation van het liberalisme.
Zij moet verder tot het bittere eind, of dat nu eindigt bij het communisme of bij een alternatief type van totalitair secularisme.
Gewoonte, traditie, wet en autoriteit worden in de twintigste eeuw steeds meer dienstbaar gemaakt aan de publieke opinie of worden in vervormde staat onderdeel van de moderne ideologieën. Tegelijkertijd geeft de geweldige vooruitgang van wetenschap en techniek de moderne staat een macht over haar burgers waar de absolute monarchen van vroeger zelfs niet over konden dromen.
U gaat weer luisteren naar een koorkompositie van de Letse componist Vasks, uitgevoerd door het Lets Radio Koor.
U hoort de bedroevde moeder.
[00:24:12] Speaker B: Leraj mees, o gloebes gijs, Ikai mees, elmeer, avoorstuis, Doe sie, doe sie, MUZIEK.
ZANG EN MUZIEK die in m'n hart zat te sterren.
Amor, sierie, amor, Ik
[00:27:27] Speaker A: geef u een korte samenvatting van het voorafgaande.
Secularisatie, verwereldelijking, in een enge betekenis slaat op het onteigenen van kerkelijk bezit door leken, door een vorst of door de staat.
Tijdens de reformatie gebeurde dat in de protestantse gebieden, met name met de kloosters.
In de latere geschiedenis gebeurt het wederom, denkt u aan bijvoorbeeld de Franse revolutie.
Maar het begrip secularisatie, zoals gebruikt door Dawson, heeft meestal een veel wijdere betekenis.
Secularisatie, verwerkelijking, betekent dan in de kern het aanbrengen van een scheiding tussen cultuur en godsdienst.
De seculariseringsbeweging bracht niet alleen het verlies van religieuze eenheid en geloof, maar later ook het verdwijnen van een algemene aanvaarding van de objectieve morele waarden en normen die het sociale en politieke leven een hecht geestelijk fundament kunnen geven.
Veel nieuwe sociale en politieke idealen vertegenwoordigen slechts gedeeltelijke en eenzijdige overblijfsels van de christelijke traditie.
We hebben daar een paar voorbeelden van gezien.
Vaak verkeren die overblijfsels zelfs in hun tegendeel. Zie bijvoorbeeld hoe tegenwoordig het begrip mensenrechten wordt opgerekt tot het recht om het ongeboren leven te doden.
Die nieuwe geestelijke krachten gaan zich vaak keren tegen het christendom en tegen de kerk.
We willen nu bespreken hoe Dawson de vraag beantwoordt of een volledig geseculariseerde maatschappij wel mogelijk is.
We zagen immers dat elke cultuur in de wereldgeschiedenis een religieuze fundering heeft gehad.
Maar wat moeten we dan denken over de huidige toestand waarin onze cultuur zich bevindt?
Is een volledig geseculariseerde cultuur wel mogelijk?
Het antwoord van Dawson is duidelijk. Dat is niet mogelijk.
Want de geleidelijke ondermijning van de geestelijke bindingen van Europa heeft een geweldig vacuum geschapen waarin zich nieuwe geestelijke krachten zijn gaan nestelen.
Dat woord vacuüm gebruikt Dawson in dit verband verschillende malen.
Het is de leegte van de moderne beschaving waarin zich de totalitaire macht van de staat breed kan maken.
Op het moment dat Dawson dit boek schrijft vallen de pseudoreligies van het Stalinisme en het Nationaal Socialisme natuurlijk het meest op.
Maar Dawson laat in zijn inleiding van dit boek uitdrukkelijk weten dat de gevolgen van de secularisering zich volgens hem niet beperken tot bepaalde landen.
Zo schrijft hij.
Men kan, denk ik, zelfs beargumenteren dat het communisme in Rusland, het nationaalsocialisme in Duitsland en de liberale democratie in de Westerse landen in werkelijkheid drie vormen van hetzelfde zijn en dat zij zich alle langs verschillende maar parallele paden naar hetzelfde doel bewegen. te weten de mechanisering van het menselijk leven en de complete ondergeschiktheid van het individu aan de staat en aan het economisch proces.
Dat lijkt in eerste instantie wel een erg bouwte bewering en hij haast zich dan ook te melden dat het liberaal-democratische ideaal niet hetzelfde is als de idealen die in de jaren dertig in Duitsland en Rusland beleden werden.
Maar tegelijkertijd benadrukt Dawson dat ze alle drie een sterke neiging hebben het geestelijk vacuüm dat ontstond door de secularisering op hun manier te vullen.
Alle moderne staten, communistisch, nationaal-socialistisch of liberaal-democratisch, vertonen een sterke totalitaire behoefte het domein van de economie, het sociale leven en de cultuur te domineren.
Geholpen door een sterk gegroeide bureaucratische staatsmacht en door een wetenschap en technologie waarvan veel beoefenaren ieder ethisch begrijpen van de wereld achter zich lijken te hebben gelaten.
Profetisch is Dawson wanneer hij schrijft dat een staat die berust op de verstrekking van sociale voorzieningen en staatsonderwijs, veel machtiger is dan een staat die berust op geheime diensten en concentratiekampen.
Zoals, zouden wij eraan kunnen toevoegen, de werking van de hedendaagse communicatietechnieken en de macht van media oneindig veel krachtiger en geaffineerder zijn dan de stalinistische en nationaal-socialistische propaganda.
Dawson voorspelt al in de jaren dertig een groeiende druk op het individuele denken en gedrag.
De liberaal-democratische staat zal minder tolerant worden in zaken sociaal gedrag en denken.
Dawson schrijft in 1935.
De staat zal in de toekomst minder een politieagent, maar veel meer een verpleegster, een schoolmeester, een werkgever en een gerechtsdienaar zijn.
Kortom, Een aardse voorzienigheid, een almachtige en omnipotente God, die bovendien nog een zeer jaloers opperwezen zal blijken te zijn.
Aldus, Drossen.
Zeker, de westerse democratieën zullen uit eigen beweging niet gemakkelijk communistisch of fascistisch worden.
Maar Dawson achtte het in 1935 zeer wel mogelijk dat zij langs parallele wegen een soort van democratisch etatisme zouden kunnen ontwikkelen.
Een denken waarin de staat de hoofdrol speelt. Die staatsinvloed zal weliswaar minder arbitrair en onmenselijk zijn dan in de twee andere totalitaire vormen, maar een even grote aanspraak maken op het leven van het individu.
In het Engeland van zijn dagen ziet hij al de eerste contouren van een dergelijk paternalistisch-democratisch regime verschijnen. Verplicht middelbaar onderwijs, centra voor welzijnswerk, sociale diensten en klinieken voor geboortebeperking CQ pre-nataal onderzoek.
Dawson noemt ze al als voorbeelden van instrumenten van een collectief despotisme dat de vrijheid en de geestelijke ondernemingszin even effectief kan vernietigen als de communistische en fascistische terreur.
Maar veel van wat burgers, ambtenaren en politici in de moderne verzorgingsstaat drijft is toch niet alleen maar slecht, zo zou een kritische luisteraar zich nu kunnen afvragen.
ziet Dawson het niet wat al te somber in.
Natuurlijk, zo zou Dawson kunnen antwoorden, de passie voor de sociale rechtvaardigheid en de toewijding aan de gemene zaak zijn goed en zelfs heilig.
Maar wat we steeds goed moeten zien is dat dergelijke idealen nog finaal nog exclusief kunnen zijn.
Hervormingsprogramma's zijn niet voldoende om de macht van het kwade te overwinnen, omdat zij gebaseerd zijn op valse principes.
Hoe vaak zien we tegenwoordig niet dat een eenzijdige toewijding gericht op beperkte doelen eindigt met het tegendeel van wat de hervormers beogen.
En hoe vaak zien we niet dat wanneer oppervlakkige morele verontwaardiging van het publiek het politieke discours gaat beheersen, het uiteindelijke resultaat veelal bestaat uit absurditeiten en nieuwe onrechtvaardigheid.
Iedere krantenlezer van vandaag kan de voorbeelden hier zelf invullen.
Het grote gevaar van sociaal en politiek idealisme is dat religieuze en politieke dimensies door elkaar worden gehaald.
Ik paraphraseer Dorsen hier nu enigszins.
Hij schrijft ergens, de katholieke theoloog kan bijvoorbeeld zeggen dat het beter zou zijn dat de wereld vergaat dan dat één schepsel een doodzonde begaat.
Op dezelfde manier, aldus Dorsen, kan de wereldverbeteraar voelen dat het beter voor de staat zou zijn te verdwijnen dan dat één man in behoeftige omstandigheden leeft.
Maar geen enkele theoloog heeft geprobeerd de wereld te vernietigen.
Maar er zijn veel wereldverbeteraars geweest die hun best hebben gedaan de staat te vernietigen.
Met een beetje geluk kan de mens zich een omheinde tuin scheppen waarin hij kunst, literatuur of wetenschap bedrijft.
Hij kan dan de wereld verlogenen als een soort Boeddha.
Of hij kan als staatsman of soldaat een beetje orde proberen te scheppen in de chaos.
Maar wat hij niet kan, schrijft Dawson, en ik citeer hem nu weer, wat hij niet kan is het menselijk leven in zijn essentie veranderen.
Of zoals Augustinus het zegt, de bergstroom van de menselijke habitus indammen.
Met andere woorden wat hij niet kan is de stad van de mens veranderen in de stad gods.
Want dat is nu juist de illusie van de wereldverbeteraars.
Een gevaarlijke illusie omdat het een quasi religieus karakter geeft aan krachten die nog ideaal nog geestelijk zijn.
[00:37:57] Speaker B: O, kwaisie, kwaak, kwaak, O, kwaasie, kwaak, O, kwaasie, kwaak, O, kwaasie, kwaak, kwaak, O, kwaasie, kwaak, kwaak, O, kwaasie, kwaak, O, kwaasie, kwaak, kwaak, O, kwaasie, kwaak, kwaak, O, kwaasie, kwaak, kwaak, Muziek de benen standaard.
[00:39:12] Speaker A: Volgens Dawson schiep het seculariseringsproces een vacuüm ter gunste van allerlei vormen van pseudo-religies.
Pseudo-religies bijvoorbeeld op basis van de verheerlijking van klassen, van natie, van ras of van economische vooruitgang.
In onze dagen wordt de bewust levende gelovige in de Westerse landen overal geconfronteerd met een soort seculier fundamentalisme dat de burger met een grote mate van zelfsprekendheid een wereldbeschouwing opdringt in media, onderwijs en kunst.
Dat moderne seculiere fundamentalisme zegt de rusten op een puur rationele grondslag, terwijl het in werkelijkheid zijn geestelijke vitaliteit onttrekt aan een religieuze traditie die men zelf afwijst.
Zo komen er op dit moment vele studenten van hoge scholen en universiteiten af bij wie het seculare dogma is ingeprent dat ideeën als de rechtsstaat, de erkenning van de morele rechten van het individu, de plicht van de samenleving tegenover de armen en onderdrukte, kortom de mensenrechten, uitvindingen zijn van de moderniteit. En u moet de docenten niet te kost willen geven die leren dat kerk en godsdienst natuurlijke belemmeringen voor de realisering van deze rechten vormen.
Maar denkend in de lijn van Dawson, de tragedie van de moderne beschaving is niet alleen dat deze principes in werkelijkheid voortbrengselen zijn van de christelijke traditie, maar vooral dat ze op de langere termijn niet te redden zullen zijn na een definitieve omvorming van de beschaving op puur materialistische grondslag.
De secularisering van de moderne cultuur heeft niets gedaan om de religieuze aandriften in de menselijke natuur te verzwakken.
Indien die aandriften niet bevredigd worden, zo luidt de centrale these van religie en de moderne staat, zal de mens compensatie zoeken in pseudo-religieuze alternatieven.
Je kunt het ook anders zeggen.
Een puur geseculariseerde cultuur is een onmogelijkheid.
Wanneer de christelijke religie in onze maatschappij wegvalt als creatieve en opbouwende kracht, wordt het vacuüm onherroepelijk opgevuld met iets anders.
Mij is niet bekend of Johannes Paulus II het werk van Dolson gekend heeft, maar in zijn encycliek Veritatis Splendor uit 1993 kunnen we een dergelijke gedachtegang gemakkelijk herkennen.
Schrijvend over de toestand in het Westen na de val van het communisme schrijft Johannes Paulus over de gevaren voor democratieën waarin ethisch relativisme de boventoon gaat voeren.
dan gaat de religieuze grondvraag die in elk mensenhart leeft vertaald worden in politieke categorieën. Want, zo schrijft de paus letterlijk, als er geen laatste waarheid is die het politiek handelen leidt en er oriëntering aan geeft, dan kunnen ideeën en overtuigingen gemakkelijk voor machtsdoeleinden misbruikt worden.
een democratie zonder waarde verandert, zoals de geschiedenis bewijst, gemakkelijk in een openlijk of verhuld totalitarisme.
Al dus deze pauze.
Het ging Dawson in 1935 om de keuze tussen de gemechaniseerde orde van de absolute staat, in welke vorm dan ook, of een terugkeer naar de geestelijke orde van een christelijke beschaving.
Wat Dawson ons laat zien is dat het geseculariseerde karakter van de huidige westerse beschaving in historisch perspectief gezien ongewoon, uniek, maar ook zeer problematisch is.
En we hebben gezien hoe een geestelijk vacuüm voortdurend dreigt op te gevuld te worden door het surigaat van allerlei pseudo-religieuze elementen, meestal krachtig ondersteund door een almachtige staatsbureaucratie en een uitdijende verzorgingsstaat.
Ja, je zou kunnen zeggen de moderne staat stelt zich steeds meer in de plaats van de gemeenschap. Ja, transformeert zichzelf steeds meer in die gemeenschap.
De moderne westerse cultuur is gericht op wetenschappelijke planning en organisatie, centralisatie, uniformering en specialisatie.
De werking van dit alles duidde Dawson aan met de term mechanisering van de cultuur.
De methode van het marginale tijdperk werd als het ware overgebracht naar de cultuur.
Het zou Dawson bijvoorbeeld niet verbaasd hebben dat de Nederlandse overheid zich tegenwoordig actief inlaat met de opvattingen over seksualiteit en gezin van haar burgers.
Voor onze voorouders zou zoiets ongehoord zijn.
Dawson beschrijft in zijn werk hoe na de Franse revolutie de moderne democratische staat zich begon op te werpen als dé opvoeder en dé geestelijke leidsman van zijn burgers.
Die staat kreeg daarmee iets van de natuur van de kerk.
U gaat luisteren naar een Pater Noster van Vasks, gezongen door het Letz Radiocorps.
[00:44:52] Speaker B: ZANG EN MUZIEK ZANG EN ZANG MUZIEK EN MUZIEK ZANG EN MUZIEK ZANG EN MUZIEK Heer, ik heb een vraag voor u.
Heer, waar zie je ons?
Heer, wie laat zie je ons?
Heer, wie neemt u naar dienst?
Heer, de man van z'n man.
Heer, de man van z'n man.
MUZIEK.
Ego, egoistus, ego, egoistus.
MUZIEK MUZIEK
[00:51:46] Speaker A: Geen enkele wereldcultuur was zo schatplichtig aan een religie als onze.
Met als gevolg dat geen cultuur zo leed onder een proces van secularisering dan de onze.
Ondaan van de christelijke kern blijven slechts de krachten van economie en nationalisme, van sociale en technische technieken over.
Blinde krachten door de enorme verzwakking van die christelijke kern.
Dawson heeft ook veel geschreven over de ontwikkelingen in het westerse onderwijs en in het gebied van de opvoeding.
Opvoeding is immers niets anders dan acculturatie, dat wil zeggen het proces waarin de cultuur door de samenleving wordt doorgegeven en door het jonge individu verworven.
Een gemeenschappelijke opvoedkundige traditie kweekt een gemeenschappelijke gedachtenwereld met een gemeenschappelijke moraal en een gemeenschappelijk erfgoed aan kennis.
Dat was in ieder geval in de duizend jaar van de christelijke cultuur zo.
Dawson schetst ook op dit gebied de ontwikkelingen die hebben plaatsgevonden in de grote historische panorama's die wij van hem gewend zijn.
Eerst werd de theologie van de vrije kunsten gescheiden door de ontkestening.
Vervolgens nam de natuurwetenschap de plaats in van de theologie als koningin van de wetenschap. En tenslotte zijn de vrije kunsten zelf verdrongen door een nieuwe serie van technische vaardigheden.
De negentiende-eeuwse school waarin de leerling nog een inleiding ontving tot de literaire en wetenschappelijke tradities van de cultuur, werd in de twintigste steeds meer omgezet in een centrum voor morele training in burgerzin.
In een school waarin de voorbereiding op de arbeidsmarkt centraal staat.
Ook in het onderwijs geldt, daar waar het culturele leiderschap van de kerk sterk verminderde, moest wel een andere macht te hulp worden geroepen om het leidend element te worden.
En waar elders dan in de staat was deze macht te vinden.
In de klassieke 20e-eeuwse totalitaire regimes spreekt dit voor zich.
Maar ook in de Westerse democratieën is het element van staatscontrole en politiekulturele beïnvloeding steeds groter geworden. Alleen al opgrond van het feit dat de staat optreedt als betaalmeester en inspecteur. En steeds meer de plaats inneemt van onafhankelijke cultuurorganen.
Zogeheten onderwijsvernievers, die vaak succesvol optraden in het vacuüm dat de secularisering ook hier liet ontstaan, hebben vaak de opvatting gemeen dat de functie van het onderwijs niet bestaat uit het verbreiden van kennis en uit de scholing in de vrije kunsten, maar in het voorbereiden van de leerling op de democratie en de arbeidsmarkt.
Ze draaien vaak de natuurlijke band tussen de leraar en de leerling om en maken daarmee, zoals Dolson ergens schrijft, de hogere intellectuele en morele waarde ondergeschikt aan de geest van de massa.
Kennis verouderd of onderwijs moet uitgaan van het kind zelf zijn slogans die deze hervormers graag gehanteerd hebben.
Uitgaand van dit soort beginselen is niet goed in te zien hoe er in het verleden ooit een hogere vorm van cultuur heeft kunnen ontstaan.
De twintigste eeuw liet zien dat een totaal geseculariseerde cultuur onmenselijk is in de absolute zin. Vijandig ten aanzien van het menselijk leven en niet te verzoenen met de menselijke natuur.
Voor Dawson is de huidige cultuurcrisis slechts op te lossen door een proces van radicale bekering.
Door een proces van diepgaande geestelijke transformatie.
Het laatste woord in menselijke zaken is altijd aan het geestelijke.
Er bestaat geen machine die morele waarde produceert en die zal er ook nooit komen.
Religie is niet zomaar een toevallig bijproduct van de grote wereldbeschavingen, het is de grondslag ervan.
Om de culturele prestaties van een beschaving te begrijpen, dienen we eerst het religieuze fundament te kennen.
Zoals de krachten van de hemel de seizoenen besturen, zo dienen de goddelijke krachten het leven van mens en samenleving te beheersen. En zoals het voor een samenleving irrationeel is de aarde te cultiveren zonder rekening te houden met de seizoenen, zo irrationeel is het voor diezelfde samenleving haar zaken te bestieren zonder relatie met God.
De voortgezette kracht van de religie is noodzakelijk voor de gezondheid van een cultuur.
Beste luisteraar, het werk van Dawson is immens.
Minstens 200 boeken en wetenschappelijke artikelen schreef hij en ik heb dus absoluut niet de potentie dat gehele werk in deze drie uitzendingen behandeld te hebben.
Veel meer dan een beknopte inleiding in enkele belangrijke thema's is het niet geweest.
Veel belangrijke onderwerpen die Dawson aan de orde stelde kwamen niet of nauwelijks aan de orde.
Zo zou bijvoorbeeld bij u de vraag opgekomen kunnen zijn hoe Dawson dacht over de relatie tussen het christendom en de niet-westerse culturen. Maar wat verhoudt u ervan zijn werk zelf te gaan lezen of te herlezen?
Op de site van Radio Maria staan wat gegevens over te lezen boeken, ook wat secundaire literatuur, zoals daar ook altijd gegevens te vinden zijn over de uitgezonden muziek.
Druk hier op de knop programmagids en vervolgens op de naam van dit programma.
Zoals ik u aan het begin van deze uitzending al zei, dit was de laatste Ladder van Jacob van dit radioseizoen. In september hoop ik, deo volente, weer bij u terug te zijn.
Ik dank u voor uw gewaardeerde belangstelling.
Ik neem afscheid van u met het Benedictus uit de mis die Vasks in het jaar 2005 componeerde.
U hoort weer het Letst Radiocoor en dit keer ook de Sinfonietta Riga.