Episode Transcript
[00:00:03] Speaker A: U luistert naar Radio Maria via DATPLUS,
[00:00:07] Speaker B: internet of de Radio Maria app.
[00:00:15] Speaker C: De
[00:00:21] Speaker B: ladder van Jacob.
Literatuur, geschiedenis en muziek met Theo Parlevliet.
Beste luisteraar, hartelijk welkom bij De Ladder van Jacob.
U kunt de komende acht zomerweken luisteren naar een aantal herhalingen van eerder door Radio Maria uitgezonden programma's.
Eerst kunt u luisteren naar drie uitzendingen over de katholieke historicus Willem Nuyens.
Nuyens was een 19e-eeuwse Nederlandse amateurhistoricus die op zijn wijze een belangrijke rol gespeeld heeft in de geschiedenis van de katholieke emancipatie van ons land.
Vervolgens volgen drie afleveringen over de 20e-eeuwse Engelse historicus Christopher Dawson.
Dawson was in de decennia voor het Tweede Vaticaanse Concilie een prominent katholiek geleerde, niet alleen in de augustactische wereld, maar ook ver daarbuiten.
Zo werden veel van zijn boeken ook in het Nederlands vertaald en hier in krant en tijdschrift besproken.
Hij leek een tijdje te zijn vergeten, maar sinds enkele jaren is er weer meer belangstelling gekomen voor hem en zijn indrukwekkende oeuvre.
En tenslotte volgt nog een herhaling van een nog niet zo lang geleden uitgezonden tweedelige boekbespreking.
Dat betreft het recent verschenen Duitsstalige boek Taboe van de Oostenrijkse psychiater Rafael Bornelli.
Ik begin u dus eerst over het boeiende leven van Willem Nuyens te vertellen in drie afleveringen met de overkoepelende titel Nuyens en het herwonnen vaderland.
Deze aflevering draagt de titel Protestantse mythes.
Willem Nuyens werd in 1823 geboren en hij stierf in het jaar 1894.
Zijn leven overbrugt dus een belangrijk deel van de 19e eeuw.
Hij geldt als de belangrijkste katholieke historicus van die eeuw.
Zijn naam wordt vaak genoemd in het rijtje van grote negentiende-eeuwse katholieke emancipatoren, zoals Le Sage ten Broek, die voor hem leefde, en Albetting Tijm en Herman Schaapman, beide tijdgenoten die hij goed gekend heeft.
Dat roept de vraag op hoe een historicus, notabene een amateur historicus, een rol gespeeld kan hebben in de strijd om de verheffing van het eeuwenlang achtergestelde katholieke volksdeel.
De overkoepelende titel van deze drie programma's, Nuiens en het herwonen vaderland, wijst daar al op.
Nuyens heeft door zijn werk de katholieke Nederlanders en hun kerk weer een rechtmatige plaats gegeven in de geschiedschrijving en daarmee in de natie zelf.
Om hem goed te kunnen duiden, om het belang van zijn werk goed te kunnen begrijpen, moeten we hier dus ook iets zeggen over de toenmalige positie van de katholieken in een land dat door de politieke en maatschappelijke elite even lang gezien werd als een protestantsland.
Met andere woorden, we proberen Nuyens ook in zijn tijd te plaatsen.
Als inleiding beginnen we met twee voorbeelden te kijken hoe verschillend Nederlandse katholieken op twee belangrijke nationale gebeurtenissen reageerden.
De eerste gebeurtenis viel aan het begin van de 19e eeuw, de tweede aan het eind van die eeuw.
Het jaar 1814 was een jubeljaar in Nederland.
De Fransen waren vertrokken, de onafhankelijkheid was hersteld en de zoon van de stadhouder werd dat jaar enthousiast in de verschillende steden als soeverein ingehaald.
Waren katholieken in dat jaar ook in een jubelstemming?
Jawel, maar om een geheel andere reden.
De Nederlandse katholieken vierden dat jaar vooral de triomfantelijke terugkeer van paus Pius VII naar Rome.
De paus verbleef namelijk door Napoleon in gedwongen ballingschap in Fontainebleu.
In 1814, na de val van Napoleon, mocht hij naar Rome terugkeren.
Over die vaderlandse gebeurtenissen van 1814 hebben Nederlandse katholieken zich nauwelijks in het openbaar geuit.
Over de terugkeer van de prins van Oranje in Scheveningen, al in november 1813, over de bevrijding van het vaderland van de Franse overheersing en over de instelling van een Nederlands koningschap, in de katholieke bronnen van die tijd vinden we er nauwelijks iets van terug.
De eeuwenlange geschiedenis van uitsluiting had begrijpelijkerwijs tot een zwakke verbondenheid met het vaderland geleid.
De juridische gelijkberechtiging, die zich niet lang daarvoor, tijdens de Bataafse Republiek had voltrokken, had er kennelijk nog niet toe geleid dat de Nederlandse katholieken zich echt volwaardige burgers voelden.
Verre van dat.
En dan gaan we 85 jaar verder.
Het contrast met de enthousiaste wijze waarop de Nederlandse katholieken de troonsbestijging van de zeer jonge Wilhelmina in het jaar 1898 hebben begroet, is overduidelijk zichtbaar.
Neem als voorbeeld even het jaarboekje van Albetting Tijm ter hand.
Een populaire katholieke publicatie in die dagen.
Het gehele nummer is gewijd aan die troonsbestijging.
In twee genealogische artikelen wordt feestelijk vastgesteld dat de jonge Forstin een achterkleindochter in de 37ste graad is van keizer Karel de Grote.
En ook opmerkelijk, Wilhelmina stamt ook in rechte lijn af van de heilige Elisabeth van Hongarije.
Ik citeer hier een van de auteurs in die bundel.
Die schrijft.
De glorie van een hoogst bemiddelijke heilige omstraalt ook ons Koningshuis.
En met de grootste huizen van Europa kan ons Koningshuis wet ijveren in de eer Elisabeth van Hongarije, de hoge edele vrouwen van de Wartburg, tot stammoeder te bezitten.
En ook onze jeugdige koningin mag zich noemen Filia Sancte Elisabeth, dochter van de heilige Elisabeth.
Ik ontleende deze twee voorbeelden overigens aan een artikel van de historicus Peter Raets.
Het contrast tussen de oorverdovende stilte van 1814 en het overenthousiaste eerbetoon van 1898 is opmerkelijk en leerzaam.
Kennelijk was er in de loop van die negentiende eeuw bij het katholieke volksdeel toch een gevoel van echte verbondenheid met het vaderland gegroeid.
Maar nog iets anders moet ons hier al opvallen.
In het eerbetoon aan de Oranjes wordt in 1898 volstrekt voorbijgegaan aan de Tachtigjarige Oorlog en de Gouden Eeuw, maar rechtstreeks verwezen naar de Middeleeuwen.
We komen in een andere aflevering nog terug op dit opmerkelijke gegeven.
De historische muziek wordt in deze afleveringen verzorgd door het gezelschap Camerata Trajactina, Met het nu volgende lied verplaatsen we ons even naar de stad Berg op Zoom in het jaar 1622.
[00:09:29] Speaker C: Merk toch hoe sterk nu het werk zich al stelt, die talentiezen ons vried heet bestreden.
Ziet hoe hij slaaft, graaft en draaft met geweld, om onze groet, met ons bloed en onze steden.
Hoor de Spaanse trommels slaan, hoor Marraads trompeten. Ziet hoe komt die trekken aan, bergend de bezetten.
Berg op zon, houdt u vrolijk, stuut de Spaanse scharen.
Laat Slaans boom en zijn stroom trouwelijk toch bewaren.
MUZIEK U
[00:11:03] Speaker B: hoorde het lied, merk toch hoe sterk, uitgevoerd door een lid van het gezelschap Camerata Traiectina.
Dit merk toch hoe sterk is onverbrekelijk verbonden met een opmerkelijke gebeurtenis uit de Tachtigjarige Oorlog.
Het lied gaat namelijk over het mislukte Spaanse beleg van Berg op Zoom in 1622.
Van de circa twintigduizend manschappen onder Spinola waren er na drie maanden vijfduizend gesneuveld.
Het betreft dus een overwinningslied over het ontzetten van de stad na een drie maanden durend beleg.
Maar een paar nuances op wat dit lied ons voorspiegelt zijn van belang.
U hoorde namelijk net in het lied, berg op zoom houdt u vroom.
Stut de Spaanse scharen.
Ten eerste is er wel wat af te dingen op de frase stut de Spaanse scharen.
De meeste soldaten spraken geen Spaans en kwamen van elders.
Zelfs aanvoerder Ambrogio Spinola was geen Spanjaard, maar was geboren in Genua.
Ten tweede, en voor ons thema belangrijker, de protestantse tekstschrijver gaat er hiervan uit dat de gehele bevolking van de stad protestants was.
Wanneer hij laat zingen, Berg op Zoom houdt u vroom.
Maar een omvangrijk deel van de inwoners van de stad was toen katholiek.
De zaak is, wist u dat Merck toch hoe sterk even later weer erg populair was onder de boeren in Zuid-Afrika tijdens de Boerenoorlog al daar?
Maar goed, terug naar Willem Nuyens.
In de ontwikkeling die de katholieke Nederlander in de 19e eeuw doormaakte van betrekkelijke buitenstaander naar enthousiast vaderlander, heeft Nuyens een opmerkelijke rol gespeeld.
Diep geworteld in de tijd waarin hij leefde was namelijk het idee dat Nederland een protestantse natie was. En dat alleen de protestant een echte Nederlander en vaderlander kon zijn.
Om het belang van het historische werk van Nuyens goed te kunnen begrijpen, zullen we dus ook uitgebreid moeten ingaan op drie zaken.
We spreken over de plaats die de katholiek in de 19e eeuwse Nederlandse samenleving inname.
We hebben het over het toen breed gedragen en soms militant antipapisme.
En ten derde, we bespreken de verschillende visies die in de tijd van Nuyens bestonden over het Nederlandse verleden en over het karakter van de Nederlandse natie.
En we beantwoorden in dat verband specifiek de vraag waarom dat nationale verleden juist in de tijd van Nuyens zo belangrijk was.
Maar eerst natuurlijk iets over de geschiedschrijver zelf.
Willem Jan Frans Nuyens werd in 1823 in Avenhoorn geboren.
Dat dorp ligt tussen Hoorn en Alkmaar.
Hij bracht zijn jeugd door in grote broek.
Hij kwam uit een geslacht van artsen.
Maar hij was zelf de eerste volledig academisch gevormde arts in de familie.
Hij heeft na zijn studietijd in Utrecht de rest van zijn leven weer in Westfriesland gewoond.
Westfriesland is een streek waar een belangrijk deel van de bevolking katholiek was gebleven.
Een van Nuyens eerste herinneringen gaat terug naar de tijd van 1830, de Belgische opstand.
Toen katholieken konden worden uitgescholden voor muiter, of meer direct voor Belg.
Er deden in die dagen geruchten de ronde dat de katholieke notabelen in het geheim de Belgen financieel ondersteunde.
Een van zijn andere jeugdherinningen gaat over de bouw van een stenen kerk met een klokkentoren in een naburig dorp.
Dat was een grote gebeurtenis, want dit soort dorpskerkjes waren in die tijd nog meestal van hout en groen geverfd en waren uiterlijk vaak niet van schuren te onderscheiden.
Ook heel veel indruk maakte het op de jongen toen een bisschop van ver weggekomen het heilig vormsel kwam toedienen.
Dat gebeurde in dat dorp voor het eerst in eeuwen, want de noordelijke Nederlanders zijn eeuwenlang missiegebied geweest zonder eigen bischoppen.
Voor een andere typerende jeugdherinnering laten we Nuyens nu zelf even aan het woord.
Op de Franse school ten Enkhuizen lazen wij, onder andere als lees- en taaloefening, stukken uit een boekje uitgegeven door de maatschappij tot nut van het algemeen.
Sentimentalistisch, filantropisch, half Calvinistisch, half rationalistisch.
Op zekere dag viel het de jonge heer Nuyens de beurt een stuk te moeten voorlezen waarin gesproken werd van maar twee sacramenten. En gezegd werd dat de roomsche leer der transsubstantiatie een onwaarheid was.
De jonge heer weigerde verder te lezen.
Monsieur gebood hem verder te gaan.
De jonge heer, die zich door het verkeer met de landjeugd etelijke manieren, welke ik niet fijn zal noemen, had eigengemaakt, wierp Monsieur het boek naar de oren.
Grote ontsteltenis.
Gewichtige schoolkwestie.
De schoolcommissie kwam bijeen.
De jonge heer moest Monsieur excuus vragen.
Hij weigerde.
Eindelijk stelde de commissie er zich mede tevreden dat hij wilde toestemmen dat hij, monsieur, geen boek in het gezicht mocht werpen.
Een lid der schoolcommissie, een predikant, was loyaal genoeg te zeggen dat de monsieur toch aan Nuyens dat stuk niet had moeten laten voorlezen.
Tot zover de oudere Nuyens die over zijn jeugd schrijft.
Denkt u nu vooral niet dat dit gedrag typisch was voor de houding van katholieke jongeren in die tijd?
In die zin is deze herinnering helemaal niet typerend.
De meeste kinderen leerden na de laaggeschoold trouwens niet door en de paar die dat wel deden waren doorgaans niet zo militant.
Maar typisch is het wel voor de positie van de katholieke Nederlanders in de eerste helft van de 19e eeuw. Hun kinderen gingen meestal naar scholen waar de onderwijzers en leraren doorgaans een protestantse achtergrond hadden.
Nuyens gaat na deze Franse school naar de Latijnse school en wil vervolgens letteren en geschiedenis gaan studeren.
Zijn vader verbotert hem.
alweer iets typerend voor de positie van de Nederlandse katholieken.
Vader Nuyens was een verstandig man.
Een katholiek kon met een dergelijke studie zijn brood niet verdienen, want leraarsposten ging in die tijd niet naar katholieken.
Het woord dus medicijnen in Utrecht.
Maar zijn historische belangstelling bleef.
Na zijn studie vestigde Nuyens zich als huisarts in Westwoud.
Zijn praktijk besloeg een groot gebied met name de streek tussen Hoorn en Enkhuizen.
Met zijn rijtuigje reed hij elke dag een vaste route langs zijn patiënten.
Hij besteedde elk verloren uurtje aan het lezen of schrijven.
Zelfs in dat rijtuigje zat hij vaak te lezen, terwijl een knecht het paard mende.
S'avonds sloot hij zich in zijn studeerkamer op om zijn historische werken te schrijven.
Wanneer we de vele delen van zijn gepubliceerde werk overzien, moeten we ons verbazen over zijn werkkracht.
Inachtnemend zijn drukke praktijk, zijn grote gezin en zijn andere werkzaamheden voor de katholieke zaak.
En hij kon uiteraard niet beschikken over een wetenschappelijke bibliotheek in de buurt.
Boeken werden hem vaak uit Amsterdam opgestuurd door zijn vriend Albert Tingtijm. En soms ook door de Leidse hoogleraar Robert Fruin, met wie hij goede contacten onderhield.
Zoals eerder gezegd willen we de dwijf achter het historische werk van Nuyens goed begrijpen.
Hij schreef veel over de Nederlandse opstand tegen Spanje.
Zullen we ons eerst wat moeten verdiepen in de positie van de Nederlandse katholieken in de tijd waarin Nuyens leefde.
We hebben tot nu toe een korte schets gegeven van de achtergrond van Nuyens.
Katholiek door geboorte, West-Fries, huisarts, amateurhistoricus.
En deze korte schets van zijn leven heeft al wat elementen opgeleverd van de algemene positie van katholieke achterstelling in die tijd.
Nu iets meer over die historische achterstelling in het algemeen.
Hoewel katholieken formeel tijdens de Bataafse Republiek aan het eind van de 18e eeuw gelijkberechtigd werden en er vanaf dan geen overheersende protestantse kerk meer was, bleef er gedurende de 19e eeuw lang een grote kloof bestaan tussen deze formele juridische gelijkheid en de feitelijke werkelijkheid.
Het gaat dan dus niet zozeer meer over allerlei wettelijke bepalingen die de ongelijkheid in stand hielden, zoals in de tijd van de schouwkerken tijdens de Republiek.
Het gaat meer om een diepgeworteld antipapisme dat katholieken als burgers van tweede of derde rang zag.
Door velen werden katholieken beschouwd als vreemde indringers.
Een niet-volk.
Mensen die het vaderland aan Rome wilden uitleveren. Mensen die men niet kon vertrouwen.
Vooroordelen dat katholieken dom waren en door paus en geestelijkheid ook opzettelijk dom werden gehouden, waren in brede kring verbreid.
Aanhangers van een achterlijk geloof waren het, met een schandelijke afgodedienst.
Katholieken waren mensen die beelden vereerden en heiligen aanbaden.
Het antipapisme bleef het minderheidsbesef van de Nederlandse katholiek, het gevoel van een bedreigde minderheid te zijn, lang voeden.
Het idee dat men geen volwaardige bewoner van het vaderland was, bleef nog lang aanwezig.
Ik geef de illustratie een paar voorbeelden van wat u zich bij dat antipapisme moet voorstellen.
Wanneer in 1854 het dogma der onbevlekte ontvangenis wordt afgekondigd, wetijveren veel vrijzinnige en orthodoxe predikanten in het schrijven van smaatschriften.
Rogier, een modern katholiek historicus, schrijft in 1953 in zijn grote overzichtswerk over de katholieke emancipatie dat de grofheden die in dat verband werden geuit, tans in 1953, ongelooflijk lijken.
Het antikatholieke vooroordeel zijpelde overigens ook door in woordenboeken, schoolboeken, overzichtswerken en niet te vergeten in de populaire belletrie.
Een katholiek geestelijke schreef in die dagen over de in Holland populaire literatuur.
Men kan geen goed Hollands boek schrijven of daar moet iets in komen van priesterlist of kloosterdwang of roomsjuk of afgoderij of duistere middeleeuwen.
Al dus deze geestelijke.
Ik wil uw voorbeeld uit de literatuurgeschiedenis niet onthouden.
De historische roman De Pleegzoon van Jacob van Lennep verscheen in 1829 en speelde zich af in de tijd van de republiek, dus in de 17e of 18e eeuw.
Een van de hoofdfiguren is een Jesuit, pater Eugenio.
Let u op de naam Eugenio, het betreft dus een buitenlander.
Pater Eugenio heeft een non-verleid en gebruikt haar met zijn bastaard voor al zijn snode plannen.
Pater Eugenio is broodmager en heeft diepe oogkassen.
Liegen en bedriegen is zijn leven van de vroege morgen tot de late avond.
Het liefst lijkt hij bij ieder ontbijt een ketter te willen verslinden.
Hij geeft vooraf vergiffinis van misdaden die hij anderen opdraagt te doen.
Voor zijn oordebroeders worden in het boek termen gebruikt als schelmen, ellendelingen, beesten, vloekverwanten, sluikmoordenaars, helse onmensen en vee van Satan.
Jacob van Lennep, een weinig serieuze schrijver, zal zelf niet in deze onzin geloofd hebben, maar hij wist dat het publiek er gretig op af zou komen.
Heerlijk griezelen.
Jezuite mocht iedereen zwart maken, ze waren in het oog van de meerderheid al zwart als roet.
Wie geen haat kende, voelde verachting.
Wie zich niet aan de papen ergerde, stelde zich erboven.
Nog vele decennia lang zou het boek herdrukt worden.
De katholieke historicus Gerard Brom zou later in zijn grote studie Romantiek en katholicisme in Nederland, naar aanleiding van Van Lenneps De Pleegzoon, de volgende behartenswaardige woorden schrijven.
De geschiedenis van de Roomsen, gedoemd als zij waren tot zwijgen en gedwongen tot stilzitten, spiegelt zich in zulke geschriften van andersdenkenden af.
De openbare mening geeft hun stand in de natie weer en dan blijkt telkens dat ze veracht en verdacht werden, zolang ze zich weinig lieten gelden.
Had Van Lennep het hart om de Jezuïten als gemene sujetten uit te beelden, dan bevestigde hij de weerloosheid van de katholieken, die na al hun lijden nog zoveel hoon verdienden, om eindelijk eens uit hun winterslaap te worden opgeschikt.
Van Lennep zelf wist nauwelijks hoe diep hij zijn medeburgers kwetste.
Nadat de priesters, die zich levenslang aan de dienst van God wilden wijden, vroeger verbannen waren naar het zuiden, waar zij een vreemde vorming kregen, moesten zij vogelvrij in hun eigen land rondzwerven.
En tot overmaat van vreedheid werden ze nu achteraf door Van Lennep als vreemdelingen aangeduid, met de naam Eugenio of Ambrosio.
Het vaderland had ze eerst uitgestoten en behandelde ze vervolgens als buitenlandse indringers.
Een paar andere voorbeelden.
De Leidse hoogleraar J.T. Buijs, een belangrijk man in de Nederlandse samenleving rond 1870, kon zonder uitgelachen te worden in een zogeheten wetenschappelijk opstel nog onbekommerd uiteenzetten waarom men goed deed katholieken niet te vertrouwen.
En in een aflevering van het serieus geachte Letterkundig magazijn voor wetenschap, kunst en smaak uit 1821 kon men het volgende lezen.
De grote menigte der Roomse volgt blind ene hoop onkundige en geldzuchtige priesters.
Misschien heeft het algemeen en sterk gebruik der zware Brabantse bieren ook bij de geestelijke heren dien noodlottige invloed dat hetzelfde hun hersengestel locher en stomper maakt.
Althans zeker is het dat zij voor het grootste gedeelte in de jammerlijkste onkunde zijn, zodat zelfs het gelaat van velen de trekken van bijna dierlijke domheid vertoont.
Natuurlijk schreven niet alle protestanten in zulke bottentermen over hun katholieke landgenoten. En natuurlijk waren katholieke schrijvers later ook niet altijd even fijngevoelig over protestanten. Maar waar het hier om gaat is de vaststelling dat het antipapisme in brede lagen van de bevolking wijd verspreid was.
En dat het bij gelegenheid ook behoorlijk agressief en militant uit de hoek kon komen.
Bijvoorbeeld in de dagen van de zogeheten aprilbeweging.
Die ontstond als protestantse protestbeweging in 1853.
Een beweging die fel tekeer ging tegen de inrichting van een normaal kerkelijk bestuur met bischoppen in Nederland.
Heeft hij trouwens wel eens over de term rooms-katholiek nagedacht?
Waarom is het niet gewoon Romeins-katholiek?
Het Nederlands is voor zover mij bekend de enige taal met het onderscheid Romeins-Rooms.
In andere talen is het gewoon Roman-Catholic of Reumisch-Katholisch.
Romeins-Katholiek dus.
Waar komt die vorm Rooms vandaan?
Ik leg het u uit.
Oorspronkelijk was het woord Rooms een scheldwoord voor de vaderlandsloze katholieken.
En later gingen de katholieken dat scheldwoord zelf als een soort geuzennaam gebruiken.
En zo moet, neem ik aan, uiteindelijk de officiële term Rooms-Katholiek ontstaan zijn.
In die term zit dus een heel stuk mentaliteitsgeschiedenis ingeweven.
Ik laat u nu een interessant muzikaal voorbeeld van 16e eeuws antipapisme horen.
Het gaat, let wel, om een kinderlied.
De oorspronkelijke tekst zou volgens sommigen door Luther zelf geschreven zijn.
In ieder geval komt het oorspronkelijk uit het Duits.
De tekst zit vol met germanisme.
Luther, of een andere protestant, dichtte de woorden op de melodie van het nieuwjaarslied Nun treiben wir den Winter aus.
En dat wordt dan hier, nu drijven wij den paus heraus.
Over de paus wordt onder andere gezegd, gij rode bruut van Babylon, gij zijt den gruwel en antichrist, vol logen en moord en ergelist.
De hoofdgedachte is dat de paus uit de kerk verjaagd moet worden en de ware paus, Christus, de kerk binnengehaald moet worden.
Het lied in deze vorm werd enkele jaren voor de opstad tegen Spanje in de Nederlanden gepubliceerd.
In een moderne opname klinkt dit antipaaps kinderliedje aldus.
[00:34:55] Speaker A: Schrijven in de paals verhaal. Het Christ, het sterk en groen en zuis. Daarin die woorden werd geregeerd. En ontaldelijk veel zielen vervoerd.
Haast u hieruit, die verdoemde zonen. Die rode bruut van Babylon. Die ziet de grool en land de Christ. Vologen de moorden en verlicht. die de kracht van Spritwellen en de kreeg, ligt nu verzeegd op deze kreeg. Daarmee bestaat ieder wereld haar goed en schendt het daardoor om Christus' bloed.
Der roomse God is nu vergaan en heeft een paus vindeen.
Op die dag zijn kerken geklimmerd is. Hier is de hoogste priester, staat aan de kruisendag die van overgaat. Zijn bloed van onze zonden vervangt, krijgt de naflaat duurzing op de vlak.
Zijn kerk hierdoor, zijn boodschap hierdoor, MUZIEK
[00:36:39] Speaker B: Het denken van velen in ons land EN ZANG. werd lang sterk beïnvloed door de mythe dat de Nederlandse identiteit volledig bepaald werd door het protestantisme en dat het katholieke aandeel in de bevolking boven de grote rivieren te verwaarlozen was.
En toen volkstellingen in de negentiende eeuw uitwezen dat een behoorlijk percentage van de bevolking katholiek was, ook in een aantal regio's boven de grote rivieren, werd dit vaak toegeschreven aan emigratiebewegingen uit Westfalen en Rijnland.
Katholieken van boven de grote rivieren zouden dan grotendeels afstammen van emigranten.
Een idee dat we trouwens al in de 18e eeuw vinden.
We moeten deze dingen weten om te begrijpen waarom Nuyens in een lezing voor zijn oude Utrechtse studentenvereniging, die hij in 1878 uitsprak, zo zijn best doet om zijn gehoor duidelijk te maken dat de Nederlandse katholieken toch echte autochtonen zijn, met geen mindere historische papieren dan de anderen.
We horen hem in die lezing onder andere het volgende zeggen.
Wij, Roomsen, zijn voor geen groter deel afstammelingen van West-Valers, die aan Amstel of Maas voor tuin zijn komen zoeken, dan de protestanten afstammelingen zijn van Vlamingen, Walen, refugees, et cetera.
Twee provincies des lands zijn bijna uitsluitend door katholieken bevolkt.
In Holland, Utrecht, Gelderland en Overijssel maken zij een belangrijk gedeelte uit van de plattelandsbevolking.
En gelijk ieder weet vindt men onder de plattelandsbewoners veel minder vreemd bloed dan in de steden.
Verreweg de meerderheid, de Roomse bevolking in de dorpen, stamt af van voorvaderen die misschien reeds in de dagen der graven dezelfde grond bebouwden.
Dat deel der bevolking heeft, met de eigenaardige taaiheid van het volkskarakter, weerstand geboden aan de nieuwe leer en zich gehouden aan de oude moederkerk.
maar dat volk heeft getrouw zijn traditieën bewaard.
Traditieën niet in historieboeken opgeschreven, door hoofd niet gekend, door boor niet opgetekend, maar bewaard aan de huiselijke haard, begraven in het diepste van hun hart.
Hier zijn we denk ik aangekomen bij de kern van wat Nuyens dreef.
Hij wilde in zijn historische werk de katholieke burgers en boeren weer hun rechtmatige plaats geven in de vaderlandse geschiedenis.
Want, zo schreef hij in het voorwoord van zijn werk over de Tachtigjarige Oorlog, voor een groot deel der Nederlanders bestaat er nog een andere overlevering dan die van de kinderen der overwinnaars van Den Briel.
Dat is de geschiedenis van de zonen van Brabant en Limburg.
Van de katholieke burgers en boeren van boven de grote rivieren. Van die Nederlanders die trouw gebleven zijn aan het geloof der vaderen en die zo lang als overwonnenen en verdachten zijn behandeld.
En in hetzelfde voorwoord verwijst hij trots naar zijn eigen familiegeschiedenis.
Hij schreef, ik ben een van hun zonen.
Mijn vadelijke voorouders, bewoners van het oude hertogdom Brabant, getuigden reeds meer dan 250 jaar geleden tegen de Antwerpse beeldenstormers van 1581.
De voorvader en mijn moeder behoorden tot de Noord-Hollandse landbouwerstand die van geslacht tot geslacht in dat gewest gevestigd is gebleven.
En daarom kan ik met recht zeggen dat ik strijd voor de overlevering van mijn vaderen.
Zulke woorden leren ons veel over de drijfveren van de historicus Nuyens. De strijd tegen de uitsluiting werd door hem vooral gevoerd door het aanbrengen van belangrijke correcties op de toen dominerende historische beeldvorming. Ja, zelf spreekt hij zelfs van een noodzakelijke historische reconstructie.
Volgens een protestantse mythe zou het Nederlandse volk eensgezind en zonder enige dwang in de 16e eeuw tot de reformatie zijn overgegaan.
De verbreiding van het protestantisme werd in deze opvatting voorgesteld Als een triomftocht van een eensgezind, vrijheidslievend volk dat ondanks dwangwetten, inquisitie en brandstapels spontaan de nieuwe leer had aanvaard. In een triomfale zegentocht op Spaanse en Roomse gewetensknechting.
In werkelijkheid bleef er in de Republiek altijd een grote minderheid van katholieken bestaan.
Zij gingen een evendurende periode in van schuilkerken en uitsluiting.
Natuurlijk moeten we onze Nederlandse geschiedenis in een juist perspectief blijven zien.
Je was in de 17e eeuw beter af als katholiek in de Republiek dan als katholiek in Engeland.
En als katholiek in de Republiek zeker beter af dan als protestant in Frankrijk.
Denkt u bijvoorbeeld aan de stroom vluchtelingen uit Frankrijk in de vorm van de huurgenoten?
Een belangrijke oorzaak van die betere positie lag in de politieke structuur van de republiek.
Die was extreem gedecentraliseerd.
De republiek was eigenlijk een confederatie van zeven soevereine staartjes.
En binnen die staartjes hadden de stadsbesturen en de andere lokale overheden weer veel te zeggen.
Geen sterk centraal gezag dus.
En er kan nog bij dat een belangrijk deel van de stedelijke regenten doorgaans niet tot de fanatieke Calvinisten behoorden.
In de Republiek is gelukkig nooit pijnbank of schafot op katholieken toegepast voor lauter geloofzaken.
Tegen betaling van zogeheten recognities aan allerlei corrupte functionarissen werd het mogelijk in zogeheten schuilkerken de mis op te dragen.
Maar anderzijds moet men geen idillen maken van de tolerantie in de republiek. De katholieken bleven gedurende die hele periode een verdrukte minderheid van sterk gewantrouwde en geminachte bijwoners, zoals soms genoemd werden.
Bijwoners in een republiek die door de dominante bovenlaag als protestant werd gezien.
De periode van schouwkijken heeft tot 1795 geduurd.
Terwijl de katholieken in de historische werkelijkheid tijdens de periode van de Republiek een grote verdrukte minderheid werden, verdween ze in de traditionele geschiedschrijving als groep bijna geheel uit het oog, omdat ze niet pasten in die mythe van het protestantse Nederland.
De 20e eeuwse katholieke historius Rogier verwoorde deze mythe in zijn baanbrekende boek Geschiedenis van het katholicisme in Noord-Nederland in de 16e en 17e eeuw.
In duidelijk ironische bewoordingen deed hij dat aldus.
Toen de tijd er rijp voor was, zwoerde meerderheid van de bevolking uit eigen innerlijke aandrang het katholicisme af.
De schellen vielen de verlichte vromen van de ogen.
En voor het doorbijgeloof verduisterde zwakke schijnsel dat het katholicisme doorliet, aanschouwde de lang misleiden massa opgetogen het alverkwikkend licht van het gereformeerd christendom.
Het Nederlandse volk wende zich in de 16e eeuw af van het pausdom en hief de ogen vol verlangen op naar het nieuwe licht.
Zoals de zonnebloem zich keert naar de zon als hij opgaat.
Al dus was het Nederlandse volk protestant geworden.
U hoorde de ironische ondertoon, maar bij de protestanten uit de tijd van Nuiens gold deze opvatting haast als een geloofspunt.
Vanaf de geslaagde opstand tegen de Spaanse koning gold bij protestantse woordvoerders het Nederlandse volk als niet minder dan het nieuwe uitverkoren volk gods.
De republiek als het nieuwe Israël.
En het Huis van Oranje werd dan natuurlijk graag gezien als een soort Nederlands huis van David.
God had Nederland door de Tachtigjarige Oorlog geleid met Oranje als voertuig in Gods hand, zoals Mozes zijn volk uit Egypte naar het beloofde land had geleid.
Nederland, de Reformatie en Oranje vormden in deze geschiedenopvatting een onverbrekelijke band.
En als het land in de negentiende eeuw door vrijzinnigheid en brutale woorden de Roomsen wordt bedreigd, dan moeten de Nederlanders in dit protestantse denken terugkeren naar de reformatorische bronnen en vertrouwen stellen op de Oranjes.
Hoewel de koning een staatshoofd was die volgens de grondwet vrijheid en gelijke bescherming aan al zijn onderdanen diende te schenken, wordt het koningshuis als het ware tot kampioen van de hervorming uitgeroepen.
U gaat nu luisteren naar een indrukwekkend lied, gecomponeerd niet lang na de moord op Willem van Oranje op 10 juli 1584 in het Delfse Prinsenhof.
De melodie van dit lied is oorspronkelijk Italiaans.
Titel, Nero Mordadig.
De moordenaar Balthasar Gerards wordt in de eerste strove aangeduid met Nero en Judas.
Nero, moorddadig, zijt gij nog in't leven?
Judas, verradig, wat hebt gij nu bedreven?
Nassau, het edele bloed, hebt gij doen sneven, Die ons de heren goed hadden gegeven.
Het lied geeft verder een zeer gedetailleerde beschrijving van de staatsbegrafenis van de vermoorde prins die op 3 augustus 1584 plaatsvond.
Voorop in de lijkstoet gingen de schutters van Delft, gevolgd door dienaren van de prins.
Lakijen, paadjes, trompetters, etc.
Daarna kwamen de wapens van zijn bezittingen.
Elk wapen werd gedragen door een paard, gedekt met een zwarte doek.
Een banier met hetzelfde wapen volgde.
Eerst het paard en de banier van Breda, dan Verre, Chalon, Diest enzovoorts.
En dan kwamen de andere attributen.
Standaard, zwaard, wapenrok en paard van de overleden prins.
De kist wordt gevolgd door prins Maurits en andere vorsten, edelen en de staten.
Een eindeloze stoet bezongen in 28 bedroefde stroven.
[00:50:13] Speaker C: Zit gij nog in het leven, Jij, das Verrader? Wat hebt gij nu bedreven?
Na zout in euren bloed, MUZIEK.
De duif binnen der steen met groter stasie, begroef men hem met vreed, ZANG EN MUZIEK La keien pagen of visieren.
mochten alle tezamen, de deule van z'n huis ook daarna kwamen, ten raad zonder gedruur is, zag men verzamelen. Trompetes, we bloedig, en daarna ons in derde, zag men zeer vroedig een paard bereid MUZIEK.
[00:55:17] Speaker B: Ik sluit af met nog een paar voorbeelden van die protestantse 19e eeuwse visie op het vaderland.
Luistert u eerst naar de protestantse bekeerling Dacosta die in 1825 het volgende dichtte.
O Nederland, gij zult eens weer het Israël van het Westen worden.
God zal uw kerk met licht omgoorden, uw koningen met Davids eer.
Uw Nassaus zullen weder blaken Van ijver voor uw tempeldaken, En Sion's voedsterheren zijn, De vrekers der verdrukte vrome, Op de afgode dienst van het trotse Rome En het slangenbroedsel van Sozijn.
U hoort het, Nederland als het nieuwe Israël dat onder leiding van de Nassau's de strijd voert tegen de afgeroden dienst van Rome.
En het slangenbroedsel van zo zijn.
Met de afgodedienst van Rome wordt uiteraard de katholieke kerk bedoeld. Met zo zijn wordt gedoeld op de 16e eeuwse Italiaanse theoloog Socinus, een voorloper van het rationalisme.
Socinus verschijnt hier dus als symbool van de vrijzinnigheid op het toneel.
De Nederlands Hervormde Kerk van die dagen werd inderdaad door een grote mate van vrijzinnigheid geplaagd.
Vele theologen verwierpen de bovennatuurlijke openbaring en hadden grote moeite met de goddelijkheid van Christus.
Orthodoxe protestanten als Dacosta en Groen van Prinsteren bestreden deze vrijzinnigheid terwijl zij binnen de Nederlands Hervormde Kerk bleven.
Andere orthodoxen verlieten die kerk en worden later gereformeerden genoemd.
Een ander voorbeeld van dit soort denken vinden we bij ene dominee Budding.
Hij houdt een preek in het overwegend katholieke Sint Oederode en betitelt de katholieke in zijn preek als een niet-volk.
Budding was zo tevreden over die preek dat hij hem later in een brochure liet publiceren.
Ik lees voor u een kenmerkend fragmentje uit die preek.
Het woord beemden is een oud woord voor wijden.
We lezen.
De Roomsen bewonen wel Nederlands beemden.
Zij ademen wel de Nederlandse lucht in, maar ze zijn geen Nederlanders.
Geen zonen van hen die met hun bloed vrijheid des gewetens kochten en op die vrijheid de staat hebben grondvest.
Nederlanders zijn zij niet.
Zij zijn slaven van Rome.
Met andere woorden, Roomsen hebben geen rol gespeeld in de vrijheidsstrijd tegen Spanje en kunnen dus geen echte Nederlanders zijn.
Als slaven van Rome ligt hun vaderland elders en dus zijn ze ook niet te vertrouwen.
Groen van Prinsenaar schreef nog vlak voor zijn dood dat hij de katholieke, citaat, geen essentieel bestanddeel der Nederlandse nationaliteit zou durven noemen.
Groen heeft ooit nog eens het voorstel gelanceerd om het katholieke Brabant en Limburg een afzonderlijk bestuur toe te staan en dan kon het gebied boven de grote gevieren geheel worden ingericht als een staat met het protestantisme als officiële godsdienst.
Roel van Pristeren had overigens ambivalente gevoelens over het katholicisme.
Hij zag katholieken soms ook als potentiële bondgenoten tegen de krachten van revolutie en liberalisme.
Beste luisteraar, ik neem afscheid van u.
Volgende keer kunt u naar het tweede deel luisteren over Nuyens.
En we zullen dan vooral zien hoe hij in zijn eigen historisch werk die door hem gewenste historische reconstructie probeert te realiseren.
Gegevens over de muziekfragmenten die hier gebruikt zijn vindt u in de programma-toelichting van deze aflevering op de site van Radio Maria en op de podcast-platforms waar u zich ook kunt abonneren op De Ladder van Jacob.
Ik dank u weer voor uw zeer gewaardeerde aandacht.
U hebt geluisterd naar De Ladder van Jacob door Theo Parlevliet.