Episode Transcript
[00:00:04] Speaker A: De Ladder van Jacob.
Literatuur, geschiedenis en muziek met Theo Parlevliet.
Beste luisteraar, welkom bij de vierde aflevering van mijn serie De Katholieke van Vietnam.
Deze aflevering is grotendeels gewijd aan het leven van een jezuïet uit de 17e eeuw die een zeer belangrijke rol gespeeld heeft in de missiegeschiedenis.
Eerst weer een samenvatting van het voorafgaande.
Ik meldde u in aflevering 2 dat Vietnam als politieke eenheid pas in het jaar 1802 ontstond.
Verder tekende ik bij de term Vietnamese aan dat het land tot de dag van vandaag ook een vijftigtal etnische minderheidsgroepen kent.
En ik heb vervolgens geprobeerd de vroege Vietnamese geschiedenis in drie kernfeiten samen te vatten.
Ik vertelde u dat een eerste kernelement in de geschiedenis van Vietnam wordt gevormd door het voor ons opmerkelijke gegeven dat de etnische Vietnamesen lange tijd vooral in het noorden van het huidige Vietnam gewoond hebben en dat het gebied gedurende maar liefst duizend jaar min of meer onderdeel is geweest van het Chinese keizerrijk.
Ik besprak voorbeelden van Chinese culturele beïnvloeding.
Een tweede kernfeit in de Vietnamese geschiedenis was dat er in de 17de en 18de eeuw meestal twee Vietnamese staten zijn geweest.
Eén lag in de noorden, dus in het gebied van de Rode Rivierdelta.
En ten zuiden ervan lag daar meestal een tweede Vietnam rondom de stad Hu, in wat tegenwoordig centraal Vietnam is.
Het noorden werd lange tijd geregeerd door de Chin-dynastie, het zuiden door de Nguyen-dynastie.
Een derde rode lijn in de geschiedenis van Vietnam behelst de grote Vietnamese trek naar het zuiden onder leiding van die Nguyen-dynastie.
Ik vergeleek een en ander enigszins gewaagd met de grote trek naar het westen in de Amerikaanse geschiedenis van de 18de en 19de eeuw.
In 1626 hebben de Nguyen van Hu hun hoofdstad gemaakt en al in de tweede helft van de 17e eeuw beginnen zij de zuidelijk gelegen Mekong-delta te infiltreren.
Volkeren als de Cham, de Khmer en de Thai worden verdreven of geassimileerd.
Een belangrijk instrument in die zuidelijke expansiebeweging is de militaire kolonie geweest.
In de vorige aflevering begon ik u ook het verhaal van de eerste missionarissen in Vietnam te vertellen.
Er zijn twee belangrijke Europese schrijvers geweest die ons informatie over dat vroege Vietnam gegeven hebben.
Eén was de Italiaanse Jezuit Christoforo Bori, die over zijn ervaringen heeft geschreven en ons daarmee een belangrijke bron over de vroege missiegeschiedenis heeft geschronken.
Een andere belangrijke Europese auteur over het 17e eeuwse Vietnam was zowaar een Nederlandse koopman.
Dat was Samuel Baron, die in dienst was van de VOC.
Hij schreef over het noorden.
En wat voor ons interessant is, is dat beide mannen duidelijk over het zuiden en het noorden schreven als twee afzonderlijke landen met eigen regeringen, eigen culturen, eigen economieën, et cetera. Alleen de taal in die twee gebieden was min of meer hetzelfde. En in die 17e eeuw werd er dan ook soms flink oorlog gevoerd tussen de Qin dynastie in het noorden en de Nuin dynastie meer in het zuiden.
En ik vertelde u hoe Borrie en Baron in hun geschriften zeer verschillende oordelen over beide gebieden gaven.
Een andere belangrijke auteur die ik besprak was de uit Napels afkomstige Jezuït Jerónimo Majorica.
Hij schreef ten behoeve van de missiearbeid Vietnamese teksten.
Met hulp van Vietnamese gelovigen schreef pater Majorica een veertiental teksten in het Vietnamese.
En interessant is het hoe hij in deze teksten de kloof enigszins probeerde te dichten tussen de uiterlijke omstandigheden van de Bijbel en de lokale omstandigheden in Vietnam.
Zo verbleef Jezus niet veertig dagen in de woestijn, maar in de bergen, want een Vietnamese had geen idee van wat een woestijn was.
Ik liet u ook zien dat de geschiedenis van de kerk in Vietnam, zowel in het noorden als in het zuiden, er een was van voortdurende afwisseling van tolerantie en vervolging. Dat geldt voor de 17e eeuw, de 18e, maar zo zullen we later nog uitvoerig zien, dat geldt ook voor de 19e eeuw en de tweede helft van de 20e eeuw.
In de vroegere eeuwen hing dat vooral samen met de wisselende houding die de Vietnamese vorsten innamen tegenover de Westerse missionarissen.
Maar in de oudere Westerse historische literatuur vinden we ten onrechte vaak het simplistische beeld van de volkomen arbitrair optredende Oosterse vorsten.
In werkelijkheid konden ook allerlei meer specifieke factoren een rol spelen in hun wisselende houding.
Ik besprak ook het verschil in houding ten aanzien van zekere elementen in de Vietnamese cultuur.
Er waren natuurlijk zaken die door geen enkele christelijke beugel konden, bijvoorbeeld de polygamie in kringen van het hof.
Maar ten aanzien van de voorouderverering bijvoorbeeld, zagen we dat de Jezuïten een mildere houding innamen dan de Franciscanen en Dominicanen, die doorgaans strenger waren.
Natuurlijk hebben we bij de periode van kerkvervolging ook te maken met willekeurig optreden van oosterse despoten.
Maar die andere factoren waren meestal veel belangrijker.
En tenslotte maakte ik een begin met het schilderen van een uitvoerig gesproken portret van pater Alexander de Rood.
Ik vertelde u hoe deze Jezuit het maar korte tijd uithield in het zuidelijke rijk van de Nguyen-dynastie. Nadat hij daar tot persona non grata verklaard was, kreeg hij de opdracht zijn werk in het noorden voor te zetten.
Hij kwam daar op 19 maart 1627 aan.
In de stad die later Hanoi genoemd zou worden, werd hij vriendelijk door de koning ontvangen en behaalde hij opzienbarende bekeringssuccessen.
In zijn later opgeschreven herinneringen schreef hij dat de vruchten van zijn prediking opzienbarend waren.
De zus van de vorst en zeventien van haar familieleden werden gedoopt.
Hij schreef later, gedoopt werden ook verschillende kapiteins van naam en faam en veel soldaten.
Gedurende het eerste jaar bereikte het aantal gedoopten het getal 1200.
Het jaar erna waren het er 2000 en in het derde jaar 3500.
Maar, zo eindigde ik mijn verhaal, ook daar begon zich in Hofkringen een sterke, vijandiggezinde oppositie te vormen.
Tot zover mijn samenvatting van het voorafgaande.
Wat was de achtergrond van die verslechterende relatie rond het jaar 1630 in het Noordelijke Rijk tussen de missionarissen en delen van het Koninklijke Hof?
We kunnen verschillende verklaringen voor die oppositie onderscheiden.
Een drietal voorbeelden.
In hofkringen konden mensen zich bedreigd voelen door de christelijke moraal en de eisen die daaruit voortvloeiden.
Binnen leidende kringen was de polygamie breed verbreid.
Wanneer een hoveling zich bekeerde, moest hij al zijn vrouwen op één na wegsturen.
En zo werden bepaalde familiale en sociale verbanden ernstig verstoord.
En we weten dat die oppositionele houding begon te groeien, ook onder kringen van invloedrijke concubines die hun positie bedreigd zagen.
een volkomen anders getint voorbeeld.
Het doopsel werd vaak aan stervenden toegediend om voor hen alsnog de deur naar het paradijs te openen.
Maar veel niet-gedoopten begonnen het verband tussen de dood en het doopsel volstrekt in een ander, sinister licht te zien.
In Tonkin begonnen velen te denken dat de missionarissen een soort dodenwater in bezit hadden waarmee ze het koninkrijk probeerden te ontvolken in dienst van de zuidelijke vijand.
Ook de politiek kon voor vervreemding zorgen.
In het bijzonder pater de Rood kwam in een kwade geur te staan door zijn vroegere verblijf in het zuidelijke rijk van de Nuen.
Wanneer rond 1630 de spanningen tussen beide rijken weer oplopen, komt de correspondentie van de pater met geloofsgenoten in het zuiden in een zeer verdacht licht te staan.
Pater de Rood voelde in 1629 al aan dat zijn dagen in Tonkien geteld waren en gebruikte zijn laatste maanden daar voor de opbouw van een solide ploeg katechisten om zijn werk voor te zetten.
In mei 1630 wordt hij door dezelfde forst verbannen door wie hij eerder met open armen was ontvangen.
De overige missionarissen mochten verrassenderwijs blijven.
Ze werden kennelijk als minder gevaarlijk gezien, misschien ook omdat ze de taal veel minder goed beheersten.
De bekeringsgolf zette zich desalniettemin door.
Tien jaar later werd het aantal bekeringen geschat op circa 82.000.
Met name dankzij het goede werk van de Vietnamese katechisten.
Na een korte pauze met Vietnamese muziek vervolg ik mijn verhaal over Pater de Rood.
[00:11:37] Speaker B: ...waar de vrouwen van de landen... ...de vrouwen van de landen... ...de vrouwen van de landen... ...zij zingen, ze zingen... ...de vrouwen van de landen, ze zingen... ...la kan je niet, la kan je niet... ...nog een uur kan je zien... ...de zang leeuwen... ...de zang zang... ...de zang zing... ...de zang zing...
ZANG EN La ba MUZIEK ba bai mo che ka kwen ko he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he he Wie is er in mijn hart... ...dat ik me opnieuw kan herinneren... ...dat er een vrouw is... ...dat een vrouw is... ...dat ik me opnieuw kan herinneren...
...dat er een vrouw is...
[00:13:49] Speaker A: Pater de Rood verbleef na zijn verbanning uit Tonkin tien jaar in het Portugese Macao.
Hij hield zich daar onder meer bezig met het lesgeven in de theologie op een college van de Jezuïten en met de studie van het Chinees, het Mandarin.
Hij preekte in de provincie Canton, hoewel zijn Chinees nooit het niveau bereikte dat hij zich in het Vietnamese verwierf.
Desondanks kwam hij in de stad Canton bekend te staan onder de bijnaam de Chinese Pater.
Maar in deze jaren bleef hij ook nauwgezet de gebeurtenissen in de twee missiegebieden in Vietnam volgen.
In 1639 brak de nieuwe koning van Koxing, China, ene Zhuang Fong, op heftige wijze met de Portugezen en verbande alle missionaris uit zijn gebied.
De Italiaanse pater Rubino, die sinds kort aan het hoofd stond van alle Jezuïte missies in het Verre Oosten, besloot toen om pater de Rood, zelf immers geen Portugees, op goed geluk naar het hof van deze vorst te sturen om de schade aan de zielzorg voor de circa 40.000 gelovigen enigszins te beperken.
Pater de Rood werd daar verrassenderwijs geaccepteerd.
De Rood wist in ieder geval tijdelijk het vertrouwen van de vorst te winnen en kreeg zelfs toestemming een kerkgebouw in de hoofdstad Hoe te heropenen.
En opnieuw zien we daar opzienbarende taferelen.
Tijdens het paasfeest van 1640 laten drie hofdames, verwanten van de koning, zich dopen.
Dat derde verblijf in Vietnam, gedurende de jaren 1640 tot 1645, wordt wel onderbroken door reizen naar Macao en de Filipijnen.
In die periode legde hij zich vooral toe op de kadervorming van Vietnamese katechisten.
Want ook de toestand van de Jezuïte-missie in Koxing, China, bleef precair en onderhevig aan allerlei spanningen die zowel door buitenlandse als door binnenlandse ontwikkelingen opgeroepen konden worden.
Die katechisten stuurde hij in groepjes, hij sprak over escadrons, naar allerlei streken van het koninkrijk.
Thuong Phuong, de vorst, bleef weliswaar genoegen beleven aan bezoeken van de missionaris met gesprekken over wiskundige en wetenschappelijke zaken, maar dat betekende helemaal niet dat de vorst de pastorale activiteiten van de Pata nu altijd zo vreselijk goedgezind was.
In juli 1644 wordt volkomen onverwachts de 19-jarige katechist André op last van een plaatselijke gouverneur gearresteerd.
André was de belangrijkste medewerker van de pater.
André werd ter dood veroordeeld.
Te vergeefs smeekte de pater om genade voor de jongeman.
André werd onthoofd.
Later, in 1652, zal Pater de Rood in de ik-vorm een getuigenis van de marteldood van André publiceren.
En een jaar later zal in Parijs een Franse vertaling verschijnen onder de weidse titel De Glorieuze Dood van André, katechist in Koxing, China, die als eerste zijn bloed heeft vergroten voor Jezus Christus en de Nieuwe Kerk.
En we kunnen in dat geschrift bijvoorbeeld lezen Toen André mij weer zag, nadat men hem zijn doodvonders aangezegd had, kwam hij in een wonderbare uitbarsting van vreugde te verkeren.
Hij sprak tot alle christenen die hem kwamen bezoeken de woorden uit die de heilige Laurentius gesproken had toen deze klaar stond om gegrild te worden op een rooster.
Hij sprak een biecht uit, begon te bidden en zei adieu tot allen.
En volgde toen opgewekt een compagnie van veertig soldaten die hem naar een veld voerde dat een halve mijl buiten de stad lag.
Ik bleef altijd aan zijn zijde, terwijl ik hem met moeite kon bijhouden, ondanks de zware ladder die hij moest torsen.
De zaak is, met die ladder is bedoeld wat in het Frans een gang heet, een houten constructie die gevangenen in het Verre Oosten om hun hals kregen te dragen.
In het Missiemuseum van Parijs kun je in de zogeheten martellarenzaal nog een dergelijke ladderachtige constructie zien.
De tekst gaat dan verder.
Toen hij op de plaats van zijn triomfale bestemming aangekomen was, viel hij op zijn knieën om met nog meer moed de laatste strijd te kunnen aangaan.
De soldaten kwamen om hem heen staan.
Zij hadden mij zo eerst buiten gesloten, maar de kapitein gaf me toestemming om de cirkel weer binnen te treden en me bij hem te voegen.
Hij zat daar geknield op de grond, zijn ogen naar de hemel gericht terwijl hij de naam van Jezus uitsprak.
Al dus een fragment uit dit geschrift.
Het stoffelijke overschot werd naar Makao overgebracht en later werd, als een verwijzing naar de marteldood van Laurentius, zijn hoofd als een reliquie naar Rome gebracht.
De marteldood van deze katechist vormde natuurlijk ook een duidelijke waarschuwing aan het adres van Pata de Rood.
Enkele dagen werd hij zelf geïnterneerd, vervolgens weer vrijgelaten, maar duidelijk in de gaten gehouden.
In de nachtelijke uren bleef hij mensen bezoeken.
Drie dagen voor het Pinksterfeest sprak de koning de doodstraf over hem uit.
Korte tijd later werd dit vonnis omgezet in eeuwige verbanning.
Ignatius en Vincentius, twee Vietnamese kategorissen die tezelfde tijd gevangen waren genomen, kregen de doodstraf, die precies een jaar na de dood van André wel werd uitgevoerd.
Bij anderen werd een vinger afgehakt.
Pater de Rood trok de trieste conclusie, ik ben alleen achtergebleven zonder enig merkteken van Christus op mijn lichaam te hebben ontvangen.
Wel nam hij zich voor met alle krachten blijven werken voor de christenen die hij achter had moeten laten.
[00:21:04] Speaker B: ...gaat me nonnie hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee hee La, la, la, la, la, la, la, la, la, la, la, la, la, la, la, la, la, la, la, la, la, la, la, la, la, la, la, la, la, la, la, la, la, ZE la, la, la, la, la, ZINGEN EEN MUZIEKJE ...want ik heb honger... ...en ik kan het niet... ...daarom heb ik geen zin in... ...en ik heb geen zin in... ...een vrouw... ...en ik heb geen zin in... ...een vrouw... ...en ik heb geen zin in... ...een vrouw... ...en ik heb geen zin in... ...een vrouw... Wanneer ...en ik heb geen zin in... ...een vrouw...
is het luchtig in de buurt?
Zang, zang, zang, zang...
[00:23:35] Speaker A: Het is hier de plaats om nog iets te zeggen over het indrukwekkende culturele en wetenschappelijke pionierswerk dat Alexander de Rood in dienst van zijn missiearbeid verricht heeft.
Toen hij voor het eerst in Vietnam aankwam, was zijn eerste werk het leren van de taal.
Hij leerde vloeiend Vietnameses spreken, maar dat was natuurlijk helemaal niet zo makkelijk.
Pater de Rood schreef over die eerste tijd.
Toen ik in Koxing, China aangekomen was en toen ik de inheemse bevolking, vooral de vrouwen, hoorde spreken, kreeg ik de indruk dat ik het gekwinken leer van vogeltjes hoorde en ik vroeg me wanhopig af hoe ik die taal ooit zou kunnen leren.
Nu, dat is hem glanzrijk gelukt.
Maar het leren spreken van Vietnamesen was voor de missiearbeid nog niet voldoende.
Je moest die taal natuurlijk ook nog kunnen schrijven.
En nu bestond de elite in beide Vietnams, bepaald niet uit analfabeten, verre van dat.
Maar het schrift in Vietnam bestond uit een uit China overgenomen karakterschrift.
En het is nu Pater de Rood geweest die een belangrijke rol gespeeld heeft in de ontwikkeling van een Westers alfabet dat geschikt was voor het Vietnamese.
De bovenlaag van de bevolking in Vietnam, de Confucianisten en de ambtenaren, bleven overigens nog heel lang, tot aan het begin van de 20e eeuw, dat Chinese schrift gebruiken.
Maar in christelijke kringen gebruikte men het Kok Nu, zoals dit Westerse schrift genoemd werd.
Pas in de eerste helft van de 20e eeuw is dit Kok Nu het nationale schrift geworden.
Maar dan zijn we al in de Frans-koloniale tijd aangekomen.
Twee belangrijke publicaties staan op de naam van Pater de Rood.
In 1651 verscheen in Rome zijn Dictionarium Anamiticum Lusitanum et Latinum.
Een Vietnamese woordenboek dus, met vertalingen naar het Portugees en het Latijn.
En als een soort appendix bevat het ook een beknopte Vietnamese grammatica.
Een tweede werk draagt de titel Categorismes voor hen die het doopsel willen ontvangen.
Uitgelegd in acht dagen.
Dit geschrift is uiteraard bedoeld voor ontwikkelde Vietnamesen, want de grote massa was analfabeet.
Het werkje bevat ook allerlei spreekwoorden, amusante woordspelletjes en anekdotische verhalen. Dit alles in dienst van een beter begrip van de christelijke leer.
Deze jezuit heeft al met al met zijn werk ook een aanzienlijke bijdrage geleverd aan de cultuur van het land dat hij steeds meer ook als het zijne begon te zien.
Na een verblijf, wederom in Makao, werd Pater de Rood door zijn superioren in 1649 naar Rome gestuurd.
En daar bleef hij zich ook inzetten voor de missie in Vietnam.
En die bleef groeien.
Rond 1645 ging het getal van 190.000 rond in Jezuitische kringen.
Dat riep soortgelijke problemen op die ook de kerk in Japan ondervond.
Net als in Vietnam was daar ook een massale invasie van buitenlandse priesters niet gewenst.
Anderzijds was de positie van de kerk in deze landen natuurlijk uiterst kwetsbaar wanneer men afhankelijk bleef van een handjevol buitenlandse priesters.
Ook in Japan waren grote successen behaald, maar daar waren die successen gevolgd door gewelddadige en omvangrijke vervolgingen.
De hedendaagse Japanse wereldberoemde katholieke auteur Shusaku Endo heeft deze periode literair indrukwekkend beschreven in zijn in 1965 verschenen, ook in het Nederlands vertaalde meesterwerk, Stilte.
In 1638 werd Japan volledig gesloten voor buitenlanders.
Toen een Portugees schip uit Makao twee jaar later probeerde dit verbod te omzeilen, werden de kapitein en een groot deel van de bemanning geëxecuteerd.
Enkele overlevenden konden nog een afschrikwekkend verslag van een en ander uitbrengen in Makao.
Zelf was Pater de Rood tijdens zijn Vietnamese periode steeds meer gaan steunen op door hem opgeleide Vietnamese katechisten.
Die katechisten vormden de hoeksteen van zijn missie, met name in het noorden.
Zij vervulden alle functies waarvoor een priester niet noodzakelijk was.
Maar hun toewijding was even alomvattend en diepgaand als die van de Europese priesters.
In de opvatting van de pater diende een groep katechisten een religieuze gemeenschap te vormen waarin zij de belofte van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid aflegden.
Zijn eerste katechist in Tonkin had notabene gedurende 17 jaar in een boeddhistische tempel gediend.
Hij had alles achtergelaten om de pater te volgen en had bij het doopsel de naam François ontvangen.
Hij had in navolging van de pater een soortgelijke levenswijze overgenomen.
En vervolgens hadden ook anderen zich bij hem gevoegd en zo werd François op natuurlijke wijze de supérieur van vier andere katechisten.
Vlak voor zijn gedwongen vertrek uit Hanoi had de pata voor een geïmproviseerde bijeenkomst van gelovigen in de kerk de katechisten een plechtige celibaatsbelofte laten afleggen, had hen laten beloven zonder eigen bezit verder te leven en had hen laten beloven de door de missionarissen aangestelde oversten te gehoorzamen.
Net als andere Jezuïten had Pater de Rood oog voor die elementen in de Vietnamese cultuur die allerlei aanknopingspunten boden bij de kerstening.
Het was zijn ambitie om op zodanige wijze het evangelie te verkondigen dat sociale en familiale structuren zo min mogelijk verstoord werden.
Als voorbeeld van elementen in de Vietnamese cultuur die helemaal niet zo ver van christelijk denken afliggen, citeert hij ergens uitgebreid ene Nguyen Trai, een vijftiende-eeuwse adviseur van de vorst die de jeugd voorhoudt welke houding je tegenover het lijden van andere mensen dient in te nemen.
Deze vijftiende-eeuwse Vietnamees, die dus op geen enkele manier het evangelie gekend kan hebben, schreef in zijn instructie voor de jeugd onder meer het volgende.
Heb mededogen met hen die in alle richtingen gevlucht zijn.
Heb mededogen met hen die verloren zijn, met hen die verlaten zijn.
Heb mededogen met de oude mensen die geen huis meer hebben.
Heb mededogen met de weduwe en wedunaren, met de wezen en met de eenzamen.
Heb mededogen met hen die kreunend en stervend van de honger en de dorst aan de rand van de weg hun slaapplaats moeten zoeken.
Als iemand het koud heeft, geef hem kleding.
Als iemand honger heeft, geef hem te eten.
Heb mededogen met mensen alsof het je eigen ouders zijn, omdat zij hier aangekomen zijn, verjaagd door een ramp die je niet kent.
Geef hen wat geld en een kommetje rijst.
Dit is taal die natuurlijk heel dicht bij die van het Nieuwe Testament staat.
En de pater wilde hiermee natuurlijk aantonen dat de Vietnamese beschaving wel degelijk aanknopingspunten bezit voor de missionering.
[00:32:50] Speaker B: Vlaamse muziek ZANG EN MUZIEK MUZIEK MUZIEK EN ZANG EN
[00:34:05] Speaker A: ZANG Nadat Pater de Rood begin 1649 in Rome aangekomen was, was hij vast besloten alles te doen om de toekomst van de kerk in Vietnam zeker te stellen.
In opdracht van monsieur Massari, de secretaris van de toen net opgerichte congregatie voor de verspreiding van het geloof, schrijft hij een nota over de situatie van de kerk in de streken die hij noodgedwongen had moeten verlaten.
de opzienbarende aanwas van gelovigen vroeg om een inzet van talloze priesters.
Maar hij zag in dat het introduceren van dergelijke aantallen buitenlandse priesters alleen maar zou uitlopen op massale vervolgingen en verbanningen en dat aldus de hoop op een nieuwe kerk in rook zou opgaan.
Ongeveer dezelfde gedachte vinden we trouwens in een brief die ene pater Cabral twee jaar eerder aan de generaal van de Jezuïten over Vietnam had geschreven.
Daarin kunnen we lezen.
Het is een nazi waarin de wet van Christus zich schijnt aan te passen aan hun aard.
Er zijn grote verwachtingen over een magnifieke aanwas van gelovigen.
Niettemin is het noodzakelijk voor het behoud van deze Christengemeente dat de buitenlandse priesters met grote voorzichtigheid handelen. Dat zij het organiseren van grote openbare bijeenkomsten vermijden.
En dat zij zich zo goed mogelijk aanpassen aan de gebruiken van het land.
Voor wat betreft hun kleding, de op te richten gebouwen en al het andere.
Het is ook van groot belang dat men de juiste mensen naar het land stuurt en dat dat gebeurt in kleine groepjes zonder veel opzien te baren.
Toen Alexander de Rood in Rome aankwam begon hij te ijveren voor een snelle creatie van een inheemse priesterstand.
Hij werd in Europa de grote pleitbezorger van dat idee.
In de vroegste geschiedenis van het christendom waren volgens hem de apostelen immers ook snel begonnen met het wijden van hun opvolgers.
Die opvolgers hadden ook geen zes jaar theologisch studie achter de rug.
De Vietnamese katechisten waren immers al gevormd.
Hun leven was al een gewijd leven.
En dan zou het ook goed zijn dat de kerk van Vietnam niet afhankelijk zou zijn van de twee Portugese residerende bischoppen in Malacca en Macau.
In 1649 was de pater overigens nog niet zo ver om te denken aan een volledige opheffing van de kerkelijke beschermheerschappij door Portugal.
Wat wordt hier bedoeld met die kerkelijke beschermheerschappij?
We moeten nu even terug naar de tijd van de eerste grote ontdekkingsreizen, waarin Spanje en Portugal voor het eerst gebieden betraden waar nog nooit Europianen geweest waren.
Vanaf 1494 hadden de vorsten van Portugal en Spanje onder leiding van de paus het zogeheten Verdrag van Tordesillas gesloten, waarmee de niet-Europese wereld als het ware tussen beide vorsten werd opgedeeld.
Paus Alexander VI bepaalde na de ontdekking van Amerika dat alles ten westen van een bepaalde Noord-Zuidlijn toebehoorde aan Spanje en alles ten oosten daarvan aan Portugal.
De in het verdrag van Tordesillas gespecificeerde demarcatielijn zorgde ervoor dat het zuidelijke halfrond verdeeld werd tussen Portugal en Spanje.
De twee grote katholieke naties stelden zo hun maritieme macht in dienst van de vorming van twee koloniale rijken.
Maar geheel volgens een nog heersend middeleeuws wereldbeeld kon men deze politieke en commerciële expansie niet loszien van de verbreiding van het christendom over de aarde.
Voor de twee vorsten rees hier ook een morele verplichting die niet louter als denkmantel, dekmantel diende voor zaken van minder hoogstaande aard.
De twee vorsten van het Iberische schiereiland namen dus ook met toestemming van de heilige stoel een evangeliserende taak op hun schouders. Een taak die met name de zorg voor de missie en de organisatie van de nieuwe kerken omvatte.
De twee vorsten genoten ook daarmee corresponderende kerkelijke bevoegdheden.
Deze bevoegdheden ten aanzien van de stichting en het bestuur van de nieuwe kerken werden dus erkend door Rome.
Maar talloze nadelen ontstonden natuurlijk uit deze gang van zaken die de verbreiding van de christelijke boodschap verbond met de expansie van aardse machten.
en met name in het Verre Oosten begonnen zaken rondom handel, politiek en godsdienst nadelig op elkaar in te werken.
Het Verre Oosten, met uitzondering van de Filipijnen, lag in de Portugese zone.
Het hof in Lissabon was bijvoorbeeld verantwoordelijk voor het vervoer van de missionarissen, stelde hun aantal vast en eiste dat zij de Portugese nationaliteit aannamen en eiste dat zij een eed op de vorst aflegden.
In hun apostolaat waren de missionarissen afhankelijk van de twee Portugese bischoppen die respectievelijk in Malacca en Macao resideerden.
Met andere woorden, de kerk had hier dus geen vrij spel.
De missie in gebieden waar men de Portugezen wantrouwde, werd daarmee moeilijk.
Zo niet verdacht, om maar één belangrijk probleem te noemen.
En bovendien ontstond nog een tweede probleem.
In de loop van de tijd begon Portugal steeds meer terrein te verliezen aan protestantse landen als Engeland en de Republiek.
Vooral in Azië.
Na het concilie van Trenthe hebben de pauzen diverse bestuursorganen gecreëerd om de missionarissen te ondersteunen in hun taak.
Vrij laat, in 1622, werd de congregatie voor de verbreiding van het geloof opgericht.
Paus Gregorius XV. voorzag dit bestuursorgaan van veel bevoegdheden.
Vijf jaar later werd een internationaal college voor de vorming van een elite van autochtone priesters in de missiegebieden opgericht.
In 1628 verscheen een nota van monseigneur François Ingoli, de eerste secretaris van de congregatie, waarin gepleit werd voor de vorming van inheemse priesters die niet louter als hulptroepen van de Europese missionarissen zouden optreden, maar indien nodig deze Europeanen zouden kunnen vervangen.
Monsieur Ngoli pleit er bovendien voor het creëren van nieuwe diocesen in de Missielanden met indien mogelijk ook inheemse bischoppen.
Je zou dus denken dat de ideeën van Pater de Rood in 1649 in vruchtbare Romeinse aarde vielen.
Nog in 1644, dus vijf jaar daarvoor, was een nieuwe nota van de hand van monsieur Ingoli verschenen, waarin hij allerlei kritische kanttekeningen plaatste bij de kerkelijke patronage door Spanje en Portugal.
Maar de wieken van de kerkelijke molens draaien soms langzaam.
In de Romeinse curie waren er ook voorstanders van voorzichtige koers.
Al was het alleen maar omdat Spanje en Portugal ook grote financiële steun aan de missie in hun gebieden gaven.
Maar Pater de Rood bleef onvermoeibaar voor de Vietnamese missie in Tau.
In 1652 deed hij nog een verzoek aan de paus om in Vietnam een bisschop te benoemen.
[00:42:53] Speaker B: ZANG EN MUZIEK Tja tja da nan, da nan oi tam ba tam zang To hoi li oi tam ba tam zang Li oi tam ba tam zang To hoi li oi tam ba tam Ai dan oi a ting tang ting zang Cho ko ming doi Zang hoi kai dem om zam zang To hoi li oi a tang ziang zang To hoi li oi a tang ziang Wijnouw, meiheer, meiheer, vriendin ta, zang tooi li, vriendin ta, zang tooi looi, vriendin ta.
Ai, meiheer, ding bang, zing zang, zo en jang bang.
Zang ooi ke deng om zang zang tooi li, zang zang zang tooi looi, zang zang zang.
ZANG EN MUZIEK Achteraf gezien
[00:44:46] Speaker A: kunnen we zeggen dat een langdurig bezoek dat Pater de Rood in 1653 aan Parijs bracht, cruciaal geweest is voor de verdere ontwikkeling van de missie in Azië.
Hij knoopt in Frankrijk allerlei banden aan met priesters, met name seculiere priesters en leken, ook buiten de kring van de Jezuïten.
Hoewel de pater zelf in 1654 door zijn superioren naar Perzië gestuurd werd, hij stierf in 1660 in de stad Isfahan, moeten we hem toch rekenen tot de mensen die in Frankrijk aan de wieg gestaan hebben van het missionarische instituut Mission étrangère de Paris, in de literatuur vaak afgekort als MEP.
In 1663 werd het eerste gebouw van de Mission étrangère de Paris in de Parijse rue du Bac aangekocht.
In een provisorisch ingerichte kapel hield de jonge abbé Bossuet toen een preek over het psalmvers Mijn hart is gereed, heer.
Het huidige kerkgebouw kwam eind 17e eeuw gereed.
De MEP is in onze dagen nog steeds gevestigd in de Rue du Bac.
Het enorme gebouwencomplex bevat tegenwoordig onder andere een zeer interessant missiemuseum.
In de drieënhalve eeuw van haar bestaan heeft de MEP ruim 4000, vooral Franse, priesters naar Azië en Noord-Amerika gestuurd.
De belangrijkste taak van de MEP in de komende eeuwen was het opleiden van Europese seculiere priesters, vooral voor de Aziatische gebieden.
Wanneer we het verder in deze serie zullen hebben over de Franse missionarissen in Vietnam, dan zijn dat dus vaak seculiere priesters die van dat Parijse seminarie afkwamen.
De activiteiten van dit instituut zorgden op verschillende manieren voor een omwenteling in de missiegeschiedenis.
Ten eerste werd hiermee het kerkelijk monopolie van Portugal en Spanje doorbroken.
Ten tweede werd de creatie van een autochtone klerens als een belangrijk nevendoel gezien.
Om dat doel te bereiken werden er ook bisschoppen gestuurd.
Maar het zou nog lang duren voordat men toe was aan het wijden van inheemse bischoppen.
In Vietnam zou dat pas in de jaren dertig van de twintigste eeuw gebeuren.
Ten derde trad ook een inhoudelijke revolutie op in de missiemethode.
anders dan bijvoorbeeld de Spanjaarden in Latijns-Amerika en de Portugezen in Goa gedaan hadden, werd nu steeds meer aangestuurd op een missiemethode die zoveel mogelijk aansloot bij de lokale zeden en gewoonten in gebieden als Vietnam en China.
We lezen in een hier door mij enigszins vrij vertaalde instructie.
Wees niet overijverig in het voortdurend argumenten aandragen om deze volkeren te bewegen, hun rieten, hun gewoonten en hun zeden te veranderen, wanneer deze tenminste niet evident in tegenstelling staan tot ons geloof en onze moraal.
Of iets verderop.
Hoe absurd is het om Frankrijk, Spanje of welk ander Europees land ook naar China te willen verplaatsen.
Introduceer bij hen niet ons land, maar het geloof.
of weer iets verder, bewonder en prijs wat bewondering en lofprijzing verdient.
Wordt u geconfronteerd met gebruiken die echt niet door de beugel kunnen, dan kun je die beter bestrijden door met je hoofd te schudden of door simpel zwijgen, dan met veel woorden en zinloze strijd aan te gaan.
Het celebreren van de liturgie in de inheemse taal was al in 1615 bij de Jezuïten een discussiepunt.
Zij kregen toestemming om het missaal, het brevier, de suma van de heilige Thomas en een moraalhandboek in het Mandarijn te vertalen.
Maar toen monsieur François Pallou, een van de oprichters van de MEP, een halve eeuw later toestemming vroeg om de volkstaal in de liturgie te gebruiken in missiegebieden, kreeg hij van een onderzoekscommissie waarin zes kardinalen zaten, een stevige nul op het request. Hij kreeg te horen dat, als tijdelijke oplossing, Chinezen en Vietnamesen die het Latijn niet begrepen, wel tot priester gewijd konden worden wanneer ze het Latijn maar konden lezen en de woorden konden uitspreken.
Het uitzenden van missionarissen vanuit Frankrijk was overigens geen sine cure.
Spaanse of Portugese schepen waren natuurlijk uit de Bozen, net als schepen van protestantse nazi's als Engeland en de Nederlandse Republiek.
We lezen hoe monsieur Pallou in 1662 naar China vertrok vanuit Marseille. Hij deed dat in de gezelschap van zeven priesters en twee leken.
Vier priesters stierven onderweg.
Een vijfde haakte onderweg af wegens gezondheidsproblemen.
En ook een van de leken zocht onderweg zijn heil elders.
Ondanks luide protesten van Portugese zijden begint men in Vietnam dus met een nieuwe missioneringsmethode.
Die vernieuwing bestaat er enerzijds in dat de Franse missionarissen zich zoveel mogelijk vertrouwd maken met de taal, de cultuur en de religieuze gevoelens van de plaatselijke bevolking.
En anderzijds is er het streven om zo snel mogelijk lokale priesters te vormen.
Beste luisteraar, het mogen na dit alles duidelijk zijn dat in ieder verhaal over de missiegeschiedenis van Vietnam, Pater Alexander de Rood een ereplaats verdient.
Ik ben aan het eind van deze aflevering gekomen.
De volgende aflevering draagt de titel Over een Vietnamese prins en een Franse bisschop.
Dat boeiende verhaal speelde zich anderhalve eeuw na de dood van Pater de rood af.
Dan zijn we dus aangekomen aan het