Episode Transcript
[00:00:00] Speaker A: Beste luisteraar, welkom bij de vijfde aflevering van mijn serie de katholieken van Vietnam.
Eerst weer zoals gebruikelijk een beknopt overzicht van het voorafgaande.
In de tweede aflevering trok ik enkele grote lijnen door de vroege geschiedenis van Vietnam.
In de derde aflevering vertelde ik u over de eerste Westerse missionarissen die naar Vietnam trokken.
En ik liet u zien dat de geschiedenis van de kerk in Vietnam, zowel in het noorden als in het zuiden, er een was van voortdurende afwisseling van tolerantie en bloedige vervolgingen. Dat geldt voor de 17e eeuw, de 18e eeuw, maar zo zullen we later nog uitvoerig zien. De heftigste vervolgingen zullen zich in de eerste helft van de 19e eeuw en in de tweede helft van de 20e eeuw afspelen.
De vorige aflevering weide ik aan het leven en werk van Alexander de Rood.
Ik geef u een beknopte samenvatting van wat ik u de vorige keer over deze Jezuïtepater vertelde.
Hij werkte eerst in het zuidelijke Koxing, China.
Dat was dus het gebied dat onder de Nguyen-vorsten stond.
Hij verbleef daar tijdens tumultueuze jaren 1625 en 1626.
Tumultueus, want de toenmalige vorst stond die jaren niet op goede voet met de katholieken.
De vorst verbood hen de zondag als rustdag te vieren en hij verbood ook alle christelijke afbeeldingen en symbolen.
In 1626 werd Pater de Rood persona non grata en werd hij teruggeroepen naar Macau.
Een jaar later kwam hij in het noordelijke Tonkin aan, waar de omstandigheden toen gunstiger waren.
Het resultaat van zijn preken in het Vietnamese was zo opzienbare dat hij het zelf nauwelijks kon geloven, schreef hij later.
Maar ook hier zou zijn verblijf na drie jaar beëindigd worden onder invloed van een groeiende oppositie in Hofkringen.
Ik gaf u verschillende verklaringen voor dat groeiende verzet.
Pater de Rood voelde in 1629 al aan dat zijn dagen in Tonkin geteld waren en gebruikte zijn laatste maanden daar voor de opbouw van een solide ploeg katechisten om zijn werk voor te zetten.
In mei 1630 wordt hij door dezelfde vorst verbannen door wie hij eerder met open armen was ontvangen.
Na zijn verbanning bleef hij tien jaar in het Portugese Macao.
Hij hield zich daar onder meer bezig met het lesgeven in de theologie en met de studie van het Chinees, het Mandarijn.
Hij preekte in de provincie Canton, hoewel zijn Chinees nooit het niveau bereikte dat hij zich in het Vietnamese verworven had.
Desondanks kwam hij in de stad bekend te staan onder de bijnaam de Chinese Pater.
En dan volgde nog een derde verblijf in Vietnam, gedurende de jaren 1640 tot 1645, nu weer in het zuidelijke Rijk van de Nguyen-vorsten.
Hij wordt daar uiteindelijk ook verbannen.
Ik gaf ook de nodige aandacht aan het vele indrukwekkende culturele en wetenschappelijke pionierswerk dat Alexander de Rood in het kader van zijn missiearbeid verricht heeft.
Ik vertelde u hoe hij een belangrijke rol gespeeld heeft in de ontwikkeling van een Westers alfabet dat geschikt was voor de Vietnamese taal.
De bovenlaag van de bevolking in Vietnam bleef overigens nog heel lang, tot aan het eind van de 19e eeuw, een Chinees schrift gebruiken.
Voorlopig werd dit westerse schrift uitsluitend in christelijke kringen gebruikt.
Pas in de eerste helft van de 20e eeuw is dit zogeheten Kok Nu, zoals dit schrift genoemd wordt, het nationale schrift geworden, maar dan zijn we al in de Frans-koloniale tijd aangekomen.
Na zijn derde verbanning heeft hij Vietnam nooit meer teruggezien.
Door zijn supérieuren wordt hij nu naar Rome gestuurd.
Hij komt daar in 1649 aan.
Hij blijft vastbesloten alles te doen om de toekomst van de kerk in Vietnam zeker te stellen.
In opdracht van monsieur Massari, de secretaris van de dan net opgerichte Congregatie voor de Verspreiding van het Geloof, schrijft hij een nota over de situatie van de kerk in de streken die hij noodgedwongen had moeten verlaten.
Ik vertelde u ook hoe hij gerekend moet worden tot de mensen die in Frankrijk aan de wiegen staan hebben van het missionarische instituut Mission Étrangère de Paris, in de literatuur vaak afgekort met MEP.
In 1663 werd het eerste gebouw in de Parijse Rue du Bac aangekocht.
Het MEP is in onze dagen nog steeds gevestigd in dezelfde straat.
Maar het is nu een enorm gebouwencomplex en bevat onder andere het zeer interessante Missiemuseum.
In de drieënhalve eeuw van haar bestaan heeft de MEP ruim 4000 priesters naar Azië en Noord-Amerika gestuurd.
En ik vertelde u ook hoe dit missionarische instituut op drie manieren de belichaming vormde van een revolutionaire omwenteling in de missiegeschiedenis.
Ten eerste werd hiermee het kerkelijke patronage van Portugal en Spanje doorbroken.
Ten tweede werd voortaan de creatie van een autochtone klerens als een belangrijk doel gezien.
En om dat doel te bereiken werden er ook bisschoppen gestuurd.
En ter derde trad ook een inhoudelijke revolutie op in de missiemethode.
Anders dan bijvoorbeeld de Spanjaarden in Latijns-Amerika en de Portugese in Goa gedaan hadden, werd nu steeds meer aangestuurd op een missiemethode die zoveel mogelijk aansloot bij de lokale zeden en gewoonten in gebieden als Vietnam en China.
Al dus mijn samenvatting van het voorafgaande.
Na een korte muzikale pauze met weer pianomuziek van Polkovjev, richt ik mijn vizier eerst op de dramatische gebeurtenissen die in het Vietnam van eind 18e eeuw plaatsvonden.
De zogeheten Taishon-opstand geldt als een van de belangrijkste keerpunten in de Vietnamese geschiedenis. Tijdens de opstand die zich afspeelde in de laatste 30 jaar van de 18e eeuw, werd gedurende enige tijd vrijwel het gehele gebied van het huidige Vietnam overheerst door drie broers, die afkomstig waren uit het dorp Taishon, gelegen in centraal Vietnam.
die broers waren getooid met de naam Nguyen.
Zeer verwarringwekkend, want een van de dynastieën die ze voor een tijdje hebben weggejaagd, droeg dezelfde familienaam, Nguyen.
Ook in onze dagen schijnt trouwens 30 tot 40 procent van de Vietnamesen Nguyen in de familienaam te hebben.
De achtergrond daarvan ken ik niet, maar verwarringwekkend is het natuurlijk wel.
Die drie rebellerende broers heten dus Nguyen Nha, Nguyen Hu en Nguyen Lu.
Er is nauwelijks een thema te noemen waar Vietnamese historici meer over hebben geschreven.
Maar tegelijkertijd zijn er in de loop der tijden zeer verschillende visies op de opstand ontstaan.
Conservatief monarchale Vietnamese historici in de 19e eeuw zagen in deze opstand toch vooral een rebellie. Een rebellie van bandieten die om de boeren achter zich te krijgen gebruik maakten van een hongersnood die het gevolg zou zijn geweest van een slechte oogst.
Vietnamese nationalisten hebben daarentegen de opstand verheerlijkt als een beweging die een einde wilde maken aan het hebzuchtige bewind van met name de Nguyen, die vooral in het zuiden de bevolking uitzoog.
Latere communistische historici sloten zich hierbij aan en spraken bij voorkeur over een revolutie die zich richtte op een onrechtvaardig systeem van landbezit.
Een boerenopstand die volgens hen tegelijkertijd bijgedragen zou hebben aan een groeiend nationaal bewustzijn.
De Thaïsson-broers zouden het land in gelijke stukken onder het volk hebben willen verdelen en zouden een belangrijke bijdrage geleverd hebben aan het ontstaan van Vietnam als één natie.
Dit is de visie die dus in de tegenwoordige schoolboekjes de Vietnamese schoolkinderen wordt voorgehouden.
Latere niet-Marxistische historici, zowel uit Vietnam zelf als uit het Westen, hebben de nodige kanttekeningen bij deze opvatting geplaatst.
De hongersnood onder de boeren vormde zeker niet de oorzaak van de opstand, maar die hongersnood was er meer een gevolg van.
De drie broers waren zelf niet van boerenafkomst en werden vooral gedreven door persoonlijke ambitie en opportunistische overwegingen.
Uit niets blijkt dat zij de intentie hadden de politieke en sociaal-politieke structuren te wijzigen, nog dat zij bewust bezig waren met het scheppen van nationale eenheid.
De ellende onder de boeren werd tijdens de opstand slechts vergroot.
De leiders van de opstand hadden immer steeds nieuwe soldaten, nieuwe arbeidskrachten en veel geld nodig.
Rondtrekkende soldaten waren voor de boeren rampzalig.
De oudste broer, Nja, probeerde zelfs een huwelijk tot stand te brengen tussen zijn dochter en de jonge kroonprins van de Nwin-dynastie.
Toen dat mislukte hebben de broers in 1777 een groot deel van die vorstelijke Nguyen-familie uitgemoord.
De tweede broer liet zich zelfs benoemen tot generaal in het leger van de in het noorden zetelende Chin-dynastie.
maar ook traden er onderlinge spanningen op.
In 1787 brak zelfs een oorlog uit tussen de oudste broer en de middelste broer. Mogelijk speelde een ruzie om een vrouw een rol.
Beide broers schilden ook van mening over de vraag wat er met de christenen moest gebeuren.
Een van de hoogste adviseurs van Hoe was overigens katholiek.
Hij en andere adviseurs vonden dat het voordelen opleverde de katholieken met rust te laten.
Hun aantal was immers niet onaanzienlijk en zij betaalden trouw hun belasting.
In 1786 kreeg deze adviseurs zelfs gedaan dat katholieken hun militaire dienst konden afkopen.
Er zaten overigens nogal wat katholieken in het leger van broer Hu.
Ook maakte deze Hu gebruik van hun medische kennis toen zijn vrouw ernstig ziek was.
Maar de tegenstelling onttrendt dit punt bleven onder de Taishon-leiders bestaan.
Zeker toen een overlevende prins uit de oude Nguyen-dynastie steeds sterker werd.
En deze prins werd vooral in het zuiden door groepen katholieken gesteund.
En dus werden katholieken in geheel Vietnam steeds meer als zijn handlangers gezien.
In 1798 werd er zelfs een Vietnamese katholiek als verrader publiekelijk geëxecuteerd.
Ik sla uiteraard veel over van wat er over deze chaotische jaren te vertellen zou zijn.
Maar een voorbeeld, een van de noordelijke vorsten heeft de Chinese keizer om hulp gevraagd. Deze stuurde een leger naar Vietnam en het Chinese leger veroverde in 1788 een groot deel van het noorden.
Maar terwijl de Chinese troepen hun nieuw jaar vierden en geen rekening hielden met een onverwachte tegenaanval, viel broer Nguyen Huu met 20.000 man het Chinese leger aan en versloeg het in de slag bij Dongha.
Die overwinning maakte hem later in de volksverbeelding tot een van de groten in de Vietnamese geschiedenis.
Maar in 1792 stierf Hoop plotseling op 40-jarige leeftijd.
Hij had zich eerder tot keizer uitgeroepen.
De Marxistische opvatting, al zou de opstand een nationale kruistocht van nobele boeren zijn geweest in dienst van nationale eenheid en sociale rechtvaardigheid, is dus niet veel meer dan een mythe.
Wel is het zo dat tijdens de opstand vrijwel het gehele gebied van het huidige Vietnam gedurende korte tijd door de broers overheerst werd.
En wel is het zo dat het onbedoelde resultaat van de Taishon-opstand het ontstaan van een keizerrijk is geweest.
Een keizerrijk dat zich vanaf het jaar 1802 voor het eerst over het zuiden, het noorden en centraal Vietnam uitstrekte.
Dat gebeurde onder een dynastie van de al veel oudere Nguyen-familie.
Die familie heeft keizers aangeleverd vanaf het jaar 1802 tot het jaar 1945, toen er een einde kwam aan de monarchie.
Die geschiedenis ving aan met een lid van de familie die dertig jaar eerder door de opstandelingen uit de oude keizerstad Hoe verdreven was.
Dat was Nguyen Anh, de latere keizer.
In mijn verhaal over het ontstaan van het Nationale Keizerrijk staan vanaf nu even twee mannen centraal. Naast de toekomstige keizer, die aanvankelijk nog als Nguyen An heette, zal ik na een korte muzikale pauze uw aandacht vragen voor de Franse missionaris Pio de Behen.
Het optreden van deze Franse missionaris wordt dus sommigen wel als het allereerste begin van het Franse kolonialisme gezien en past dus goed in het verkeerde beeld van de katholieke kerk als toegewijd diener van de Franse koloniale belangen.
Over die interpretatie in kritische zin later meer, maar eerst het verhaal van deze twee mannen zelf.
[00:16:08] Speaker B: TV
[00:16:30] Speaker A: De twee hoofdrolspelers in mijn verdere verhaal zijn dus een Vietnamese prins en een Franse Gelderland 2021 missiebischop.
Die prins behoorde tot de oude Nguyen-dynastie.
Zijn naam was Nguyen Anh.
Hij was als gevolg van de Taishon-opstand eerst naar Bangkok uitgeweken en vandaar had hij moeten toekijken hoe een groot deel van zijn familie door de rebellen uitgemoord werd.
Vanuit Bangkok plannde hij zijn terugkeer naar Vietnam.
Hij wilde daarbij samenwerken met iedereen die bereid was hem materiële steun te geven.
Al in 1776 ontmoette hij voor het eerst mijn tweede hoofdrolspeler. Dat was de Franse missionaris Pierre Pignol de Bienne.
Ze hebben elkaar in het uiterste zuidelijke deel van de Mekongdelta voor het eerst ontmoet en raakten met elkaar bevriend.
Wie was deze missionaris?
Anders dan zijn naam doet vermoeden, was Pinho de Ben geen aristocraat.
Hij was de oudste in een gezin van 19 kinderen.
Zijn vader was een eenvoudige leerlawyer uit Lotharingen.
Pigneau voerde dat de later zelf aan zijn naam toe om hem nobeler te laten klinken.
Tegen de wil van zijn vader had hij voor het priesterschap gekozen.
Hij vertelde zijn familie dat hij dat deed omdat men, zo schreef hij later, op alle mogelijke manieren het woord van de heilige kerk moest verspreiden.
In 1765, toen hij 24 jaar oud was, werd hij door dat eerder besproken missionarische instituut, Mission étrangère de Paris, als missionaris naar Vietnam gestuurd.
Hij kreeg de leiding van een kerkelijke school op het eiland Phu Quay.
Dat eiland lag in het uiterste zuiden van het hedendaagse Vietnam, nog min of meer in de Mekong-delta.
Hier werden mannen uit Zuidoost-Azië, dus uit het huidige China, Cambodja, Laos, Vietnam en Thailand, opgeleid om als missionaris terug te gaan naar hun eigen land en daar het katholieke geloof te verspreiden.
Die school was in de tijd opgezet door de Franse 17e eeuwse jezuit Alexander de Rood, een man waarover ik u al eerder uitvoerig vertelde.
De priester Pinho had overigens op dat eiland alles behalve een comfortabel leven.
De school zelf bestond uit niet meer dan een verzameling bamboehutten en hij viel door hitte en vochtigheid al snel ten prooi aan allerlei tropische ziekten.
Ook werd hij een speelbal van lokale conflicten.
Vlak na zijn aankomst verborg hij een gevluchte Siamese prins.
Achtervolgens van die prins kwamen echter naar het eiland, vernietigde de school en namen Pio gevangen.
Hij werd afgevoerd in een veertig kilo wegend harnas van hout en ijzer.
Maar desondanks, en ondanks een langdurige ziekte, brak hij niet.
Hij was zelfs blij met een mogelijk martelaarschap en schreef later naar zijn ouders Zegende heer duizend keer dat hij mij vereerd heeft om in zijn naam te leiden.
Na drie maanden van gevaarschap werd Pinyo vrijgelaten en hij keerde terug naar Fukui om de school te herbouwen.
Chinese en Cambodjaanse piraten overvielen een jaar later de school en vermoorden vele van zijn pupillen.
Hij werd dit keer niet gevangen genomen, maar ontsnapte per boot met een aantal leerlingen via de straat van Malacca en de golf van Beghalen naar Pondichéry, een Franse kolonie in het huidige India.
Paus Clemens XIV stelde hem in 1791 aan tot apostolisch vicaris van Khochinchina.
Van het zuiden van Vietnam dus.
Dat is een soort titulaire bisschopstitel.
Inmiddels bleef Pinot zijn school op het eiland Fouquet trouw dienen.
En het was dus op dat eiland dat hij in 1775 voor het eerst onze Nguyen Aan ontmoette.
Aan kwam op het eiland aan als vluchteling voor de Thaisson-rebellen die hem op de hielen zaten.
Pio verborg de jonge Nguyen aan en ontwikkelde zich al snel tot dienstvriend en adviseur.
[00:22:18] Speaker B: Ja,
[00:22:48] Speaker A: ik denk dat het goed is.
[00:23:00] Speaker B: Muziek
[00:23:26] Speaker A: De bischop stemde ermee in als intermediair op te treden tussen de toen in benaarde omstandigheden verkerende familie Nguyen en de Europese machten.
Overeenkomstig een Aziatische traditie nam bischop Pinho het zesjarige zoontje van de vorst, prins Nguyen Khan, naar India mee in een diplomatieke missie om militaire steun tegen de rebellen te vragen aan de Fransen en aan de Portugezen.
En toen die dat afwezen reisde de bischop met het prinsje naar Frankrijk.
Dat Vietnamese prinsje trok veel aandacht aan het hof van Versailles en in de Parijse salons.
In november 1787 kwam er onder bemiddeling van de bischop het verdrag van Versailles tot stand, tussen prins Nguyen An en Frankrijk.
Frankrijk beloofde steun aan de pogingen van Aan om zijn bezittingen terug te krijgen.
Die steun zou bestaan uit vier fragatten met 1200 infanteristen, 200 artilleristen en 250 niet-Franse soldaten.
In Ruil zouden de Fransen enkele handelsprivileges krijgen in het kader van de controle over enkele eilanden en enkele havens.
Onder andere zouden ze handelsprivileges krijgen in het huidige Da Nang.
In dat verdrag van Versailles staat onder andere het volgende te lezen.
De onderdanen van de zeer christelijke koning genieten volledige vrijheid om alle handel te drijven in de gebieden van de koning van Koxing, China, met uitsluiting van alle andere Europese landen.
Zij mogen komen en reizen en hoeven geen rechten te betalen.
En zij mogen alle goederen invoeren en uitvoeren zonder dat zij in- of uitvoerrechten hoeven te betalen.
Maar van die Franse steun zou weinig terechtkomen.
Enerzijds zag de commandant van de Franse troep in India dat de kansen op succes gering waren en hij had er dus weinig trek in Vietnam militair op te treden.
Anderzijds waren er de binnenlandse ontwikkelingen in Frankrijk zelf.
Het land ging gebukt onder de roemorige voorgeschiedenis van de Franse revolutie die in 1789 zou uitbreken.
Maar Pigneau was voor geen kleintje vervaard.
Zonder dat de Franse regering ervan op de hoogte was, rondselde hij op eigen houtje een aantal Franse soldaten.
Met twee bewapende koopvaardijschepen, veertien officieren en naar schatting circa honderd soldaten, voegde hij zich in 1789 bij het leger van Nuin aan.
Deze kon ook later nog gebruikmaken van de militaire kennis van Fransen.
Ene Olivier de Pimanelle bouwde de eerste achthoekige citadel van Saigon, naar het model van de beroemde Franse vestingbouwer Vauban.
En hij leerde Vietnamese soldaten op Europese wijze manoeuvreren en leerde hen om te gaan met mobiele artillerie.
Tot aan zijn dood in 1799 bleef de bischop een vriend en adviseur van Nguyen aan.
Die vriendschap kwam wel even onder druk te staan toen de jonge prins Nguyen Khan, onder invloed van zijn leraar, tijdelijk weigerde aan de voorouderverering van een Nguyen deel te nemen.
Die voorouderverering speelde wel vaker een problematische rol in de missiegeschiedenis van Vietnam.
Maar na deze pijnlijke geschiedenis herstelde de relatie zich weer.
De Franse priester kreeg zelfs een Vietnamese naam, Ba Da Loc.
en hij kreeg na zijn dood van win aan een graftombe met opschrift.
Die graftombe is in 1983 op last van de communistische overheid afgebroken.
De stoffelijke resten van de missionaris zijn toen naar Frankrijk overgebracht.
[00:28:43] Speaker B: Ja.
Ja.
Ja.
[00:29:17] Speaker A: De Nederlandse historicus en groot kenner van de Vietnamese geschiedenis, Pieter Meulendijks, heeft uitvoerig geschreven over de beeldvorming rondom de missionaris Pinho de Behen.
Ik lees bij Meulendijks dat Pio tot in onze dagen in veel Franse historische werken en in schoolboeken vaak wordt neergezet als een vaderlandsliefende Fransman.
En dat dienstinspanningen ten gunste van de Nguyen-dynastie vooral zouden zijn gemotiveerd door zijn liefde voor Frankrijk.
En zijn wens dat Frankrijk een belangrijke rol zou moeten gaan spelen in Indochina.
In een soortgelijke opvatting wordt Pio ook in de huidige communistische geschiedschrijving gezien als de grondlegger van het Franse imperialisme en kolonialisme in Vietnam.
Ook in deze historische school worden zijn activiteiten aan het eind van de 18e eeuw direct in verband gebracht met het latere Franse optreden.
In de Frans-nationalistische opvatting wordt zijn optreden natuurlijk vooral in positieve toonzetting geschilderd, terwijl hij in de Marxistische school juist geldt als de baarlijke duivel, als de man die aan de wiegen stond van de latere onderdrukking en exploitatie van het land door Frankrijk.
Maar in beide gevallen wordt de katholieke bischop missionaris getransformeerd tot een soort zaakwaarnemer van Franse belangen.
Die Frans-nationalistische opvatting is natuurlijk opgebloeid in koloniale kringen toen Frankrijk in de tweede helft van de negentiende eeuw daadwerkelijk een koloniaal rijk in Indochina begon op te bouwen.
In het jaar 1899 werd grootscheeps gevierd dat Pigneau honderd jaar geleden gestorven was.
We zitten dan in de Frans-koloniale periode.
Katholieke missionarissen en enkele kolonisatoren hebben toen het initiatief genomen een stambeeld voor hem op te richten. Op zichten geplaatst op het plein voor de kathedraal van Saigon.
Het beeld werd in Frankrijk vervaardigd en in het jaar 1901 plechtig onthuld.
Afgebeeld stond de bischop met een beschermende hand op de schouder van het jonge prinsje Nguyen Caen naast hem.
De boodschap was duidelijk, hier stond een bischop die niet zozeer missionaris was, maar veleer een man die primair de beschavingsmissie van Frankrijk, de mission civilisatrice, zoals dat toen genoemd werd, ondersteund had.
Men moet dan wel weten dat het standbeeld in Saigon onthuld werd in de tijd dat in het Franse moederland kerkvijandige regeringen aan de macht waren.
Het is dan de periode van de Franse derde republiek. Een periode waarin Franse regeringen in Frankrijk zelf een radicaal antikerkelijke politiek voerden.
Tijdens die derde republiek zien we bijvoorbeeld veel Franse religieuze gemeenschappen hun heil zoeken in landen als Duitsland of Nederland.
In de Franse koloniën werd die anticlericale politiek weliswaar in veel mindere mate doorgevoerd, maar ook in Vietnam waren de betrekkingen tussen de kerk en het Franse koloniale bestuur lang niet altijd goed.
Volgens sommigen maakten de activiteiten van de kerk de Fransen impopulair in Vietnam en waren kerkelijke activiteiten lang niet altijd goed voor de commerciële belangen van het moederland.
Dus juist door de onthulling van dit beeld en door allerlei publicaties wilden de Franse missionarissen van die tijd beklemtonen dat ook zij Franse patrioten waren.
De redenvoering die monsieur Mossar bij de onthulling uitsprak, zette Pio de Bien vooral neer als een Fransman die de Vietnamese leiding gaf, als een missionaris in dienst van Frankrijk.
Het land dat al eeuwen de beschaving en de missie gesteund had. Als de redder van het leven van Nguyen Anh, die zichzelf in 1802 tot keizer van Vietnam zou uitroepen. Als de man die Frankrijk en Cochinchina had verbonden.
De redenvoering van de bischop bij de inwijding van dat stambeeld beoogde duidelijk ook de anticlericale agitatie in Frankrijk te temperen in het kader van een verzoening tussen kerk en staat.
En we zien hier dus de omvorming van Pignol tot een eind 19e eeuwse Franse patriot, die zich in het kader van het Frans kolonialisme vooral opgeworpen zou hebben als de verdediger van de ware vooruitgang, de ware beschaving en de ware vrijheid.
Maar Pieter Meulendijks schrijft Een recent onderzoek van de bronnen heeft duidelijk aan het licht gebracht dat de bischop niet zozeer werd gedreven door de wens het Franse Rijk te vergroten, maar eerder door het streven een Aziatisch-Katholiek Rijk te stichten en de protestantse invloed in dat gebied van staten zoals Engeland en Nederland tegen te gaan.
Hij was in de eerste plaats een missionaris die het katholicisme wilde verspreiden en pas daarna een Fransman.
Hij liet zich dus vooral leiden door religieuze overwegingen en zag Nguyen aan als een mogelijke nieuwe Constantijn de Grote.
Aldus Meulendijks.
Dienstinterpretatie wordt ook nog eens ondersteund door de feitelijke gang van zaken die ik net misschien wat al te simpel schetste. Want Pigneau zocht helemaal niet naar exclusief Franse steun voor de Vietnamese vorst.
Hij wende zich eerst tot Spanje in Manila en pas daarna tot de Fransen in India.
En daarna heeft hij ook nog steun gezocht bij de Portugese in Macau en Goa.
En poed pas toen het allemaal geen resultaten opgeleverd had, besloot hij met het prinsje naar Parijs te vertrekken.
Die Frans-nationalistische interpretatie van de gebeurtenissen wil ook nog wel eens vergeten dat Pigneau in Versailles niet optrad als Fransman, maar als vertegenwoordiger van de Vietnamese prins.
Intussen beginnen we al wel te vermoeden dat de relatie tussen kerk en Frans kolonialisme heel wat complexer en dubbelzinniger is geweest dan Franse nationalisten en Vietnamese communisten ons hebben willen doen geloven.
Over die Frans koloniale periode en de positie van de kerk later natuurlijk meer.
Want we zijn nu pas aangekomen in het jaar 1802 toen de Thaïsson opstand definitief onderdrukt werd.
Onze prins Nguyen An vestigt zich nu weer in de stad Hu.
Die stad wordt door hem vier jaar later in 1806 tot hoofdstad van het Rijk uitgeroepen.
En het is in deze stad dat hij zich tot keizer van Vietnam laat uitroepen.
Dat keizerschap heeft tot 1945 bestaan.
Voor het eerst vormde Vietnam in 1802 binnen de huidige grenzen formeel één politieke eenheid.
Prins Nguyen An nam toen als keizer de naam Cha Long An.
Over die naam later meer.
Voor het eerst werd nu ook de naam Vietnam gebruikt als naam van het land.
Na een oorlog die Vietnam drie decennia had verscheurd, na een periode van grote economische rampspoed en onbeschrijfelijke ellende voor de bevolking, stonden het land en de keizer uiteraard voor enorme problemen.
De keizer was via een burgeroorlog aan de macht gekomen en kampte dus met een enorm probleem van politieke legitimiteit. Hoe kon hij overal in dit enorme gebied zijn macht doen gelden?
Hoe kon hij de krachten van het regionalisme, met name in het zuiden, de baas worden?
En bovendien kreeg hij tijdens zijn regeerperiode al te maken met een groeiende invloed en bemoeienis van Westerse landen, vooral van Frankrijk.
De katholieke kende onder zijn bewind overigens een relatief rustig bestaan.
Die toestand van betrekkelijke rust zou onder zijn zoon radicaal eindigen.
Over dit alles in de volgende aflevering meer.
Beste luisteraar, weer mijn dank voor uw gewaardeerde aandacht.