Episode Transcript
[00:00:00] Speaker A: Beste luisteraar, welkom bij de derde aflevering van mijn serie De katholieke van Vietnam.
Deze aflevering gaat vooral over de eerste Europese missionarissen die het land vanaf de 16e eeuw betraden.
Maar eerst weer een korte samenvatting van de vorige aflevering.
Ik meldde u toen dat Vietnam als politieke eenheid met min of meer de huidige grenzen pas voor het eerst in het jaar 1802 ontstond.
Verder tekende ik bij de term Vietnamese aan dat het land tot de dag van vandaag ook een vijftigtal etnische minderheidsgroepen kent.
en dat volkeren als de Tjaam en de Khmer in vroegere tijden ook eigen vorstendommetjes hebben gehad op wat nu Vietnamese grondgebied is.
Omdat ik het in de komende afleveringen voortdurend zal hebben over het zuiden, het noorden en centraal Vietnam, gaf ik een kort overzicht van de geografie.
Het zuiden omvat vooral de reusachtige Mekong-delta.
Dat gebied werd door de Europeanen van ouds aangeduid met de naam Cochinchina.
Daar ligt ook de grootste stad van het land, door de Fransen met de naam Saigon getooid.
Maar ook een groot deel van het noorden wordt ingenomen door een reusachtige rivierdelta, namelijk die van de Rode Rivier.
De miljoenenstad Hanoi ligt op de rechteroever van die rode rivier, ongeveer 60 kilometer van de monding van die rivier in de golf van Tonkin.
De naam Hanoi is in 1831 door de keizer aan de stad gegeven.
Het noorden wordt vaak aangeduid met de term Tonkin.
En ik vertelde u dat het noorden en het zuiden met elkaar verbonden worden door een langgerekte strook van maar liefst 1600 kilometer.
Op de meeste plaatsen gaat daar een kustvlakte over in gebergten.
De bekendste stad daar is de oude keizerstad Hoe.
Ik vertel u verder dat het eerste kernelement in de geschiedenis van Vietnam wordt gevormd door het voor ons opmerkelijke gegeven dat het gebied waar de Vietnamesen woonden gedurende maar liefst duizend jaar onderdeel is geweest van het Chinese keizerrijk.
Die periode begint in de eerste eeuw voor Christus en eindigt in het jaar 938 na Christus. Die duizend jaar durende overheersing heeft natuurlijk het nodige opgeleverd aan Chinese invloeden.
Ik noemde de vele Chinese woorden in het Vietnamese en het Chinese karakterschrift dat de elite in vereenvoudigde vorm tot in de twintigste eeuw gebruikt heeft.
Ik besprak de betekenis van het via China geïmporteerde Confucianisme en Boeddhisme.
Maar ik noemde ook de voor de missie geschiedenis erg belangrijke vooroudervereering.
Al dus een korte samenvatting van de vorige aflevering.
Zoals eerder gezegd, Vietnam als politieke eenheid is pas in het begin van de 19e eeuw ontstaan.
Ik zie jou natuurlijk vanaf u nu een heel gedetailleerd overzicht te geven van alle oorlogen, opstanden en dynastieën die voor het jaar 1802 optraden.
Maar zoeken we een belangrijk kernelement in de geschiedenis van Vietnam, dan is zeker geweest dat het noorden, zuiden en midden zeer verschillende ontwikkelingen hebben gekend.
Vaak zijn er in de 17e en 18e eeuw twee Vietnamese staten.
Eén in het noorden, dus in de Rode Rivierdelta, en één ter zuiden ervan rondom de stad Hu.
Maar de toestand is veel complexer omdat ten zuiden van de Rode Rivierdelta ook niet-Vietnamese volkeren lange tijd de dienst hebben uitgemaakt. Zo is er lange tijd een machtig Cham-rijk geweest.
Het Cham-volk was etnisch niet verwant aan de Vietnamesen.
Ze zijn waarschijnlijk aan het begin van onze jaartelling geëmigreerd uit het gebied dat nu Indonesië is.
Andere niet-Vietnamese volkeren waren de Khmer en de Thai. De Khmer vormde vaak staten in de Mekong-delta, in het zuiden dus.
In het noorden zien we na de Chinese overheersing allerlei Vietnamese dynastieën optreden.
Heel lang was daar de Chin-dynastie dominant.
Wanneer we toch een soort rode lijn willen trekken in de geschiedenis tussen de tijd van de Chinese overheersing en het ontstaan van het zelfstandige keizerrijk in 1802, dan kunnen we dat doen door een die geschiedenis als een centraal thema te ontwaren, de grote Vietnamese trek naar het zuiden.
Denkt u ter vergelijking aan de Amerikaanse geschiedenis, die zich lange tijd liet vangen onder het kopje de grote trek naar het westen.
Zoals de Amerikanen in de 19e eeuw Indianen, Franstaligen, Spaanstaligen en andere groepen in een grote imperialistische beweging hebben verdreven of geabsorbeerd, zo kunnen we een soortgelijke Vietnamese trek naar het zuiden ontwaren. Alleen gebeurde een en ander in Vietnam in een veel langzamer tempo.
Die zuidwaardse expansie stond onder leiding van de dynastie van de Nguyen.
Die dynastie zal nog vaak terugkomen in mijn verhaal.
In 1626 maakte de Nguyen van Hu hun hoofdstad.
Al in de tweede helft van de 17e eeuw begonnen zij de Mekong-delta te infiltreren.
Volkeren als de Chiam, de Khmer, de Thaï werden verdreven of geassimileerd.
Een belangrijk Vietnamese instrument bij dit alles is de militaire kolonie geweest.
De vorsten in Hoe plaatsten een soort soldatenboeren opnieuw voor over het land om terugkeer van de vroegere bewoners te verhinderen.
Dat land werd gratis uitgedeeld onder hun soldaten.
En die militaire kolonies hebben veel gedaan ten gunste van de verdrijving of assimilatie van die netgenoemde niet-Vietnamese volkeren.
Kortom, in de 17e en 18e eeuw zien we dus vaak twee Vietnams.
In het noorden een Vietnam gedomineerd door de Chin-dynastie.
In het zuiden een zich verder naar het zuiden uitdijend Vietnam dat overheerst werd door de dynastie van de Nguyen.
Na dus wat grote lijnen getrokken te hebben door de algemene geschiedenis van het land, wil ik het na een korte muzikale pauze gaan hebben over de vroegste geschiedenis van de katholieke kerk in Vietnam.
U hoort in deze aflevering weer korte fragmenten uit Prokofjef's vision fugitatif.
[00:08:16] Speaker B: TV.
[00:08:44] Speaker A: Dat in Gelderland 2021 Vietnam een belangrijke katholieke minderheid leeft, wist ik wel toen ik aan dit onderwerp begon.
Toen het land in 1976 onder communistische leiding formeel een staatskundige eenheid werd, had het land 48 miljoen inwoners.
Een grote meerderheid ervan had een min of meer boeddhistische achtergrond.
Een minderheid van 3,5 miljoen was katholiek.
Dat was dus circa 7% van de totale bevolking.
Andere schattingen komen op circa 10%. De katholieken waren in 1976 georganiseerd in 27 bisdommen en in circa 2200 parochies.
Vietnam stond toen qua aantal katholieken in Azië op de vijfde plaats.
Na de Filipijnen, India, China en Indonesië.
Maar wanneer we naar percentages katholieken van de totale bevolking kijken, staat Vietnam natuurlijk veel hoger in de lijst.
In bijvoorbeeld India leven weliswaar ruim 17 miljoen katholieken, maar dat is maar een kleine anderhalf procent van de totale bevolking.
Hoe het ook zij, de Vietnamese katholieken hebben, zo zullen we later nog zien, wel degelijk een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van hun land.
Dat katholieke politici bijvoorbeeld een belangrijke rol hebben gespeeld in Zuid-Vietnam tijdens de Vietnamoorlog, wist ik ook.
Een van mijn helden heb ik in de eerste aflevering al kort aan u voorgesteld, in de persoon van Ngo Dinh Diem, die tussen 1954 en 1963 een leidende positie innam in het toenmalige Zuid-Vietnam.
En ook na zijn gewelddadige dood in 1963 speelde tot de communistische overwinning in 1975 katholieke leiders een belangrijke rol in de Zuid-Vietnamese politiek.
Maar verder, zo bleek me tijdens mijn leesavonturen, vertoonden mijn kennis toch grote lacunes en belangrijke misvattingen.
Natuurlijk wist ik dat Vietnam een Franse kolonie is geweest en daarom zo dacht ik aanvankelijk zal de katholieke kerk in Vietnam wel een soort lood zijn geweest aan de boom van het Franse kolonialisme.
In het kielzog van de Franse kolonialen zullen er Franse missionarissen het land zijn binnengekomen.
En de kerk zal dus in elke opzicht wel goede banden met dat koloniale bestuur hebben onderhouden.
Een echte misvatting in meerdere opzichten zo ontdekte Nick tijdens mijn leesavonturen.
De Fransen begonnen pas in het midden van de 19e eeuw een direct koloniale rol te spelen.
Terwijl geheel het gebied van het huidige Vietnam pas een koloniaal bestuur kreeg rond 1880.
Maar het christendom in Vietnam is veel en veel ouder.
Wanneer begint in Vietnam de missiegeschiedenis?
Uit een Vietnamese bron weten we dat de eerste priester die voet op Vietnamese bodem zet dat al deed rond het jaar 1533.
Dat was aan de kust van Tonkin, dus in het noorden.
Zijn activiteiten leiden toen al tot een verbodsedict van een lokale vorst.
In die bron wordt gesproken over een man van de oceaan met de naam Iniku.
Verder weten we niets over hem, maar we hebben hier zeer waarschijnlijk te maken met een Portugese priester met de naam Ignatius, die het land had bereikt vanuit Malakka in het huidige Malaisie.
Zijn kennis van het land en van de taal moet nihil zijn geweest.
De eerste missiepost, waar we iets meer van weten, werd in 1596 opgericht.
Maar het christendom kreeg pas echt voet aan de grond nadat de Jezuïten in 1614 uit Japan verdreven waren.
Een groepje Portugese missionarissen vestigde zich een jaar later in Vietnam en begon mensen te bekeren.
Dat speelde zich eerst af in het zuidelijke gebied dat onder het gezag stond van de Nguyen-dynastie.
Een van hen was de Italiaanse Jezuit Cristoforo Bori, die over zijn ervaringen heeft geschreven en ons daarmee een belangrijke bron over de vroege missiegeschiedenis heeft geschonken.
Over Cochin China, het zuiden dus, schreef pater Bori dat het gebied goed bestuurd werd.
De mensen daar waren volgens hem vriendelijk en gemakkelijk in de omgang, waren nieuwsgierig naar andere volken en culturen, waren goede handelaren en kenden een zekere welstand.
Bori schreef rond 1620 toen er meestal nog geen grote spanningen waren tussen de missionarissen en de vorst van het zuiden.
Jezuïten, want we hebben het hier over een Jezuït, schreven in de 17e eeuw überhaupt doorgaans in milde tonen over de Vietnamese cultuur en de godsdienstige opvattingen van de Vietnamesen.
De Franciscanen en Dominicanen namen doorgaans een veel strengere houding aan en beschuldigden de Jezuïten in dit opzicht soms zelfs van ketterij.
Dat verschil in de benadering van de inheemse cultuurwereld zag men al in de missionering in China.
Daar preekte rond 1600 de beroemde Jezuït Matteo Ricci.
Volgens hem waren rituelen rondom de voorouderverering en Confuciaanse opvattingen niet 100% heidens, omdat het hier niet om zuiver goddienstige opvattingen en rituelen zou gaan.
Confucius werd in China immers niet als god aanbeden.
De Jezuïten zagen de Chinezen ook bepaald niet als barbaren.
En dat alles had natuurlijk ook zijn invloed op hoe de Jezuïten even later Vietnam zagen.
De grote culturele invloed van China op het Vietnamese hofleven, het door het Confucianisme beïnvloedde onderwijs en de Chinese invloed op de taal en het schrift maakten het voor Jezuïten makkelijker om ook de Vietnamesen niet als barbaren voor te stellen.
Nog een woordje over die boeiende figuur, pater Matteo Ricci.
Hij verbleef van 1582 tot 1610 in China.
Hij verraste de Chinezen aan het hof met landkaarten, wereldbollen en een astrolabium.
Maar zelf verdiept hij zich in het Confucianisme, hulde zich in zijde gewaden, kweekte een Chinese paardenstaart en liet zich Dokter Li noemen.
In vroegere dagen was het denken van Plato als het ware verkristelijk, zo vond hij.
Waarom zou iets dergelijks niet kunnen met Confucius?
Hij bracht de Chinese keizer op het idee dienst successen in de oorlog op de muren van het paleis uit te laten beelden, zoals Philips II dat had laten doen in het Escoriaal.
In hun beschrijvingen van de Chinese missie lieten de Jezuïten dus goed zien dat de Chinezen geen barbaren waren, maar dat China een hoogstaande beschaving kende, met waardevolle filosofische, culturele en historische tradities.
De Jezuïten die in Vietnam werkten waren zich natuurlijk bewust van de grote Chinese invloed op de Vietnamesen en konden zo ook gemakkelijker positiever staan tegenover de Vietnamese cultuur.
In 1616 rechtvaardigt Paus Paulus de Vijfde de aanpak van de Jezuïten.
Twintig jaar later dienen de Dominicanen een nieuwe aanklacht in, maar ook dan te vergeefs. Pas onder paus Clemens IX keert het getij.
En onder Clemens XI wordt bijvoorbeeld de Oosterse vooroudercultus als heidens verworpen. Dat was in 1715.
Overigens was de missionering door de Jezuïten vooral gericht op de bovenlaag van de bevolking.
Zij meenden dat de missionering het beste daar kon beginnen.
Bij veel Europese volkeren was het in de vroege middeleeuwen immers ook zo gegaan.
Eerst koning Clovis, daarna de Frankische aristocratie en pas lang daarna kwam geleidelijk de Gramaanse massa aan bod.
Het positieve beeld van Koshi in China dat we via de Jezuïten kennen was feitelijk dus vooral een beeld van de bovenlaag van de bevolking.
En bovendien, zoals gezegd, schreef Pater Bori in een tijd dat de relatie met de vorst nog goed was.
[00:18:46] Speaker B: Muziek.
[00:19:46] Speaker A: De geschiedenis van de kerk in Vietnam is er tot in onze dagen een geweest van voortdurende afwisseling, van tolerantie en bloedige vervolgingen.
Dat geldt voor de 17e en de 18e eeuw, maar vooral voor de 19e eeuw en de tweede helft van de 20e eeuw.
De houding van de Nguyen-dynastie tegenover de Missie was pragmatischer en vaak toleranter dan de houding van de Chin-dynastie in het noorden.
Maar ook de Nguyen-vorsten hebben het katholicisme nooit officieel erkend.
En allerlei factoren konden een rol spelen in hun wisselende houding.
Dat kon iets te maken hebben met de binnenlandse of de buitenlandse politiek. Dus bijvoorbeeld met een gewenste relatie met Europese machten.
Maar het kon ook te maken hebben met de missionaire successen zelf, die soms angst en vrees konden opwekken.
Maar het kan ook te maken hebben met veranderende opvattingen van de missionarische zelf.
Met name een soms wisselende mate van tolerantie ten aanzien van bepaalde elementen in de Vietnamese cultuur.
Ik sprak net al over de voorouderverering.
In de oudere Europese geschiedschrijving vinden we ten onrechte vaak het simplistische beeld van volkomen arbitrair optredende Oosterse despoten.
Natuurlijk hebben we ook te maken met willekeurige optreden van oosterse despoten, maar die net genoemde factoren waren veel belangrijker.
De vorsten van de Nguyen-dynastie konden zo hun eigen motieven hebben om niet, of juist wel, tegen de missionarissen op te treden.
Zo konden ook in Vietnam missionarissen aan het hof optreden als wiskundigen, astronomen en artsen.
Ze konden ook ingezet worden als tolken in contacten met Europese machten.
Maar in het jaar 1663 kon de Nguyen Forst, Nguyen Phu Daan, erg ontevreden worden over de hulp die Europese machten hem gaven aan zijn oorlog met de Tien Forsten in het noorden.
Hij startte in dat jaar daarom een bloedige vervolgingsgolf.
Hij verbood toen elke missiearbeid en liet verscheidene plaatselijke katholieke doden, onder wie leden van zijn lijfwacht en enkele hoffunctionarissen.
Twee jaar later veroordeelde hij iedere christen die geweigerd had aan bepaalde rituelen deel te nemen.
Straffen varieerden van onthoofding tot door olifanten uit elkaar getrokken worden.
In totaal stierfen toen rond de 70 katholieken de marteldood.
Een later regerende Nguyen Forst was Nguyen Phuc Chung, een overtuigd boeddhist.
Het stoorde hem dat de christenen zijn gezag niet onvoorwaardelijk wilden accepteren.
En hij besloot in 1699, in navolging van China, het christendom als een staatsvijandige godsdienst te behandelen.
Kerken moesten in dat jaar worden gesloten en missionarissen werden gevangen gezet.
Maar vijf jaar later gaf deze vorst weer godsdienstvrijheid en dat bleef in het zuiden voor de 18e eeuw doorgaans de regel, al traden soms wel spanningen op.
Ook in het noorden, in het Rijk van de Tjinn, is de geschiedenis van de kerk er een van afwisselend tolerantie en vervolging. Maar in het algemeen kunnen we zeggen dat de katholieken in het noorden doorgaans slechter af waren.
Schattingen over het aantal katholieken in Vietnam van 1680 spreken over 200.000 gedoopten.
Dan gaat het over 4% van de bevolking.
Voor het eind van de 18e eeuw zou het dan gaan over getallen tussen de 300.000 en de 350.000 katholieken.
Ook strenga wordende opvattingen van missionarissen konden dus voor wrijvingen zorgen.
Dan kon het bijvoorbeeld gaan over bepaalde rituele plechtigheden rondom de vereering van dorpsgeesten.
Vooral kritiek op de in Vietnam tot dag van vandaag populaire vooroudervereering was controversieel.
Dan ging het bijvoorbeeld over het plaatsen van offergraven op huisaltaars.
Missionarissen wilden dan geen mis opdragen in huizen waar voorouders werden vereerd.
Toen de Jesuït Bori over de toestand in het zuiden schreef, waren dergelijke spanningen er nog niet.
De Jesuïten gaven, zoals ik u eerder vertelde, meer ruimte aan bepaalde inheemse rieten.
Zij probeerden zogezegd die voorouderverering in een meer katholiek jasje te steken.
Katholieken mogen immers bidden voor het ziele heil van hun voorouders.
[00:25:07] Speaker B: MUZIEK Ja.
[00:26:05] Speaker A: Een andere ons nog bekende Jezuit was de Napolitaan Gironimo Majorica, die tussen 1624 en 1656 een groot deel van zijn tijd in verschillende delen van Vietnam doorbracht.
Ook van hem hebben we nog teksten over die hij schreef ten behoeve van de missiearbeid. Hij deed dat met assistentie van Vietnamese gelovigen.
Een van die Vietnamese helpers kennen we bij naam.
Dat was de kategreet Francis, die nota bene in zijn vroegere jaren een boeddhistische monnik geweest was.
Samen met hem en anderen schreef Pater Majorica een veertiental teksten in het Vietnamese.
Heilige levens, samenvattingen van de Bijbel, preken en kategoretische werken.
Interessant is het hoe hij en zijn medewerkers deze teksten zo schreven dat de kloof tussen de Bijbel en de lokale omstandigheden enigszins gedicht werd.
Zo verbleef Jezus niet veertig dagen in de woestijn, maar in de bergen, want de Vietnamees had geen idee van wat een woestijn was.
Het laatste avondmaal was geen broodmaaltijd, maar een rijstmaaltijd.
En de fariseeën werden vergeleken met een bepaald soort boeddhistische monniken.
In de christelijke kalender kreeg bij hem ook het belangrijkste Vietnamese feest, het Tetfeest, zeg maar het Vietnamese nieuwjaar, een plaats.
Het is hier trouwens ook de plaats om nog kort te vermelden dat een andere belangrijke Europese auteur over het 17e eeuwse Vietnam een Nederlandse koopman is geweest.
Dat was Samuel Baron, die in dienst was van de VOC en getrouwd was met de Vietnamesen.
Ik vermoed dat hij protestant was.
Samuel Baron schreef over het noorden van Vietnam, een gebied dat de Europeanen Tonkin noemden.
Hij schreef vijftig jaar later dan pater Bori, die vooral over het zuiden schreef.
Wat voor ons interessant is, is dat Bori en Baron duidelijk over het zuiden en het noorden schreven als twee afzonderlijke landen met eigen regeringen, eigen culturen, economieën en sociale stelsels.
Alleen de taal in die twee gebieden was min of meer hetzelfde.
En in die 17e eeuw werd er dan ook soms flink oorlog gevoerd tussen de Qin-dynastie in het noorden en de Nün-dynastie meer in het zuiden.
Bori en Baron geven in hun geschriften zeer verschillende oordelen over beide gebieden.
Pater Bori schreef, zoals ik u eerder vertelde, tamelijk positief over bestuur en de geaardheid van de bevolking in het zuiden.
Baron vond daarentegen dat het noorden slecht geregeerd werd.
Hij beschreef de mensen in Tonkin als opvliegend, niet vriendelijk en niet open richting buitenlanders.
En de bevolking was bovendien arm en hongerig.
Er zat overigens wel een halve eeuw tussen het moment dat Christoforo Bori over het zuiden schreef en het moment dat Samuel Baron dat het leven in Tonkin beschreef.
Maar ook binnen de kring van de missionarissen vinden we opvallende verschillen in oordelen.
In 1682 werd een kerkvergadering gehouden van missionarissen die actief waren in Vietnam.
en daar gaven sommige missionarissen een erg positief beeld over bijvoorbeeld het Vietnamese huwelijk.
De traditionele huwelijksvoltrekking ging gepaard met groot ceremonieel en tegen overspel werd volgens hem streng opgetreden. Maar andere missionarissen gaven een veel negatiever beeld.
Zij wezen op zaken als polygamie, verstoting van de vrouw en het bestaan van uinigen in hogere kringen.
Uit de bronnen die we hebben spreken dus grote verschillen in algemene beoordelingen ten aanzien van bevolking en samenleving.
We zagen pater Borrie al schrijven over de sociale instelling, de hoffelijkheid en de vriendelijkheid in het zuiden.
Vietnamesen waren volgens sommige missionarissen edelmoedig, volgzaam, vrijgevig, beleefd en door hun openhouding makkelijk te bekeren.
Maar in andere bronnen spreekt men over luiheid, hebzucht, traagheid, etc.
Ene pater Marigny gaf wel een erg negatief beeld van de mannen.
Laujaards die niets uitvoerden, gokkers en losbandige types.
Over de handeldrijvende vrouwen schreef hij dat naarmate zij meer handel dreven, ze ook steeds brutaler en vrijer werden en uiteindelijk in de prostitutie terecht kwamen.
Beste luisteraar, ik zal mijn verhaal over Vietnam en de Vietnamese kerk van tijd tot tijd onderbreken met een uitvoeriger gesproken portret.
Uiteraard zijn dat meestal Vietnamesen, al hoeven ze niet allemaal katholiek te zijn.
Maar voor het begin van de geschiedenis van het christendom ligt het voor de hand mijn licht te laten schijnen op het leven van een 17e eeuwse Europese missionaris.
Na de pauze begin ik alvast een begin te maken met mijn eerste portret met de bespreking van het leven en werk van pater Alexander de Rood.
En in de volgende uitzending zal ik dat verhaal voortzetten.
[00:32:18] Speaker B: MUZIEK.
[00:32:57] Speaker A: In ieder verhaal over de missiegeschiedenis van Vietnam verdient pater Alexander de Rood een centrale plaats.
Je schrijft zijn naam trouwens als Rhodes met D-E-S.
Alexander werd geboren in Avion, dat toen nog niet bij Frankrijk hoorde maar onder de Pauze viel.
Volgens sommige bronnen was Alexander de Rood van Joodse afkomst.
Christenen van Joodse afkomst werden in die tijd gewantrouwd en bijvoorbeeld niet toegelaten tot de Jezuïtenoorde.
Maar soms glipte dergelijke kandidaat kennelijk toch door de mazen van het net.
Hoe het ook zei, in het voorjaar van het jaar 1612 begon Alexander in Rome aan het novitiaat van de een kleine eeuw eerder opgerichte Sociëteit van Jezus.
In 1624 werd hij naar Oost-Azië gestuurd.
In het gezelschap van de net door mij al beschreven oordegenoot, de Napolitaan Geronimo Majorica, kwam hij in Cochin, China aan.
Dat was dus het gebied dat onder de Nguyen-vorst stond.
Hij verbleef daar tijdens de tumultueuze jaren 1625-1626.
Tumultueus, want de toenmalige oude vorst stond die jaren niet op goede voet met de katholieken.
De vorst verbood hen de zondag als rustdag te vieren en hij verbood ook alle christelijke afbeeldingen en symbolen.
In 1626 werd Pater de Rood persona non grata en werd hij teruggeroepen naar Makao.
Een jaar later, op 19 maart 1627, kwam hij in het noordelijke Tonkin aan waar de omstandigheden toen rustiger waren.
Hij kwam daar een haven binnenvaren, vlakbij, zoals hij schreef, een prachtige stad.
De plaatselijke mandarijn gaf hem toestemming en kruist de planten op de top van een heuvel die uitzicht gaf op de haven.
Een processie vormde zich met als kern de Portugese scheepsbemanning, aangevuld met belangstellende Vietnamesen.
Alles bij elkaar een gunstig voorteken voor zijn toekomstige apostolaat in deze streken.
De vorst in wat tegenwoordig Hanoi is, leek de Portugese gunstig gezind.
Die vorst ontving Alexander en wat medemissionarissen zelfs aan het hof.
De missionarissen voorzagen door de vorst van gewaardeerde geschenken, een wiskundeboek en een klok die met geluid de hele uren aangaf.
Drieënhalve maand na aankomst konden de missionarissen een kerk in Hanoi openen.
Pater de Rood was een waar talenwonder.
In korte tijd had hij zich in zijn vorige standplaats het Vietnamese eigen gemaakt.
En zo konden de inwoners van Tonkin direct van hem over Jezus Christus vernemen.
Later in zijn leven heeft hij trouwens ook het Chinees en het Persisch enigszins onder de knie gekregen.
Later kon hij zich nog verbazen over zijn opzienbarende successen in Tonkin.
Hij schreef over die jaren De hoofdstad van Tonkin bestaat uit een grote vesting en een prachtige binnenstad met brede straten.
Dit alles wordt omgeven door muren met een lengte van minstens 6 mijl.
De koning liet me een mooi huis bouwen en een prachtige kerk.
De berichten over mijn optreden verspreiden zich over heel het koninkrijk en de aanloop was al snel zo omvangrijk dat ik verplicht was minstens vier keer en soms zelfs zes keer per dag te preken.
De vrucht van dit alles was zo opzichter dat ik het zelf nauwelijks kon geloven.
Een zuster van de koning en zeventien van haar naasten werden gedoopt.
Gedoopt werden ook verschillende kapiteins van naam en faam en veel soldaten.
Gedurende het eerste jaar bereikte het aantal gedoopten het getal 1200.
Het jaar erna waren het er 2000 en in het derde jaar 3500.
Niets verbaasde me meer als het gemak waarmee ik afgodspriesters wist te bekeren.
Mensen die gewoonlijk het meest obstinaat zijn.
Ik doopte er 200 die ons vervolgens op ongelofelijke wijze gingen helpen met het bekeren van anderen.
Maar ook hier zou zijn verblijf na drie jaar beëindigd worden onder invloed van een groeiende oppositie.
Daarover meer in de volgende aflevering.
Beste luisteraar, weer bedankt voor uw zeer gewaardeerde aandacht.