Episode Transcript
[00:00:00] Speaker A: Beste luisteraar, welkom bij de vijfde aflevering van mijn serie over de componist Arvo Pärt.
In de vorige aflevering heb ik naar aanleiding van zijn muziek met u over het thema stilte gesproken, vooral vanuit de filosofie en de musicologie.
En ik gebruikte daarvoor vooral het boek van de filosoof Charles Vergeer en een essay van de musicoloog Leo Samama.
Ook deze aflevering is gewijd aan enkele gedachten over de stilte en draagt dus dezelfde titel, componist van de stilte.
Aan het eind van de vorige aflevering meldde ik u dat ik het in de laatste afleveringen van deze serie vooral wilde hebben over het belang van de orthodoxe traditie voor de muziek van Arvo Pärt.
En dan heb ik het dus over de liturgie, de geestelijke literatuur, de heilige en het gebedsleven van de orthodoxe kerk.
En dat zou ik dan vooral doen met behulp van het boek Arvo Pärt, Out of Silence.
Dat boek is bij uitstek een goede gids in deze, omdat de Amerikaanse auteur Peter Boutenef zowel een orthodox theoloog als ook een musicoloog is.
En bovendien heeft de auteur Pert goed gekend. Hij heeft lange gesprekken met hem gevoerd.
Omdat Pert in de jaren zeventig zijn eigen spirituele thuis in de orthodoxe kerk vond, leek het mij passend om in deze serie ook enkele verbindingslijnen te trekken tussen zijn muziek en de orthodoxe traditie.
Zonder overigens ook maar op enige manier te willen streven naar volledigheid.
Die orthodoxe wereld wordt wel vaak vermeld in de Pert-literatuur, maar meestal blijft het daarbij.
Soms wordt zeer ten oorechte gesuggereerd dat Pert's muziek op een directe wijze louter een uitvloeisel is van de orthodoxe kerkmuziek.
Boetenef vertelt in het begin van zijn boek hoe hij in de vroege jaren negentig tijdens een verblijf in een Engels orthodox klooster toevallig Pert tegen het lijf liep.
Boetenef noemt de naam van het klooster niet, maar ik vermoed dat het hier het klooster van Johannes de Doper in Essex betrof.
Dat klooster werd in 1959 gesticht door de Achimandriet Sofronius, een priester waarmee Pert na zijn verbanning naar het Westen veel gesprekken heeft gevoerd.
Op deze Russische priester hoop ik later nog terug te komen.
Natuurlijk wist Boetenef dat Pert een beroemde componist was, maar hij had bij die eerste ontmoeting nog nooit één noot van hem gehoord.
Tijdens die week in het klooster heeft hij onbevangen over van alles en nog wat met de componist gesproken.
En na die eerste kennismaking volgde al snel zijn eerste kennismaking met Perts muziek.
Beste luisteraar, in het spoor van de Eukumenische gezindheid van Pert laat ik in deze aflevering tijdens de pauzes deeltjes horen uit zijn Berliner Messe.
Deze mis werd in opdracht geschreven voor de 90ste Duitse katholieke dag in 1990.
In dat jaar werd deze muziek voor het eerst ten gehore gebracht in de Berlijnse Sint-Hedwigs-kathedraal.
Hier hoort u het Ests Philharmonisch Kamerkoor met het Kirje.
[00:04:37] Speaker B: die hier in de hemel is gehoord.
GELUID VAN ORGELMUZIEK ZANG EN MUZIEK MUZIEK Boetenef
[00:07:08] Speaker A: stelt de vraag bestaat stilte wel als zelfstandige entiteit.
We hebben immers een sterke neiging de stilte louter negatief als de afwezigheid van iets te duiden.
Hetzelfde probleem duikt op als we spreken over de duisternis met betrekking tot de afwezigheid van licht.
We kunnen de schaduw zien als de afwezigheid van licht, maar bestaat de duisternis zelf dan wel?
En dezelfde vraag kunnen we overigens stellen over het kwaad in relatie tot het goede.
Is het kwaad alleen maar de afwezigheid van het goede?
Vele vroege christelijke denkers kwamen tot die conclusie dat alleen het goede als entiteit bestaat.
Het kwade is dan slechts als de negatie van het goede op te vatten.
Het kwade leidt zo slechts als het ware een parasitair bestaan gerelateerd aan het goede.
Maar toch, hoe ongrijpbaar ook, niet valt te ontkennen dat stilte, duisternis en het kwaad toch op een of andere manier in ons leven aanwezig zijn.
Kunnen we dan stilte en duisternis als potenties, als mogelijkheden zien?
Wenden we ons naar het scheppingsverhaal.
Lezen we in het begin van Genesis over Gods scheppende woord het volgende.
Toen sprak God.
Er moet licht zijn.
Er was licht.
En God zag dat het licht goed was.
Hier horen we Gods scheppende woord uit de stilte opreizen en dat woord laat het licht schijnen uit de duisternis.
De stilte en de duisternis vertegenwoordigen het niet zijnde, het niets.
Want volgens de oude christelijke leer van de creatio ex nihilo schiep God het universum uit het niets.
En zo kwam er tot een radicaal onderscheid tussen de geschapen kosmos en de ongeschapen God.
Dus stilte en duisternis zijn, los van hun ontologische status, hun zijnde status, onontbeerlijk voor het onderscheiden van dingen die zijn en niet zijn.
Zelfs, al dus nog steeds Boetinev, wanneer we het aangezicht en de geluiden van de geschapen wereld ervaren, zijn ze onmisbaar.
Leonardo da Vinci schreef ooit over de noodzaak van schaduw om dingen in perspectief te kunnen zien.
Want schaduw is niets anders dan versperd licht.
En zo zouden we zonder stilte slechts in een volledige cacophonie leven.
Wanneer we te raden gaan in de Heilige Schrift en in teksten uit de christelijke traditie, kunnen we daar veel inzichten aantreffen over de verschillende soorten stilte. Vooral in de betrekkingen tussen God en de mensen.
In de psalmen wordt God vaak gesmeekt om niet stil te zijn.
Waarbij de betekenis van stilte dan veel verder gaat dan simpel genegeerd worden.
De stilte staat dan voor het uit het zicht raken van troost en leiding.
Het wegdrijven van het leven zelf.
Stilte en duisternis karakteriseren in de Joodse traditie het dodenreken.
Zo lezen we in psalm 94 Was de Heer mijn hulp niet geweest, dan zou mijn ziel spoedig in het land van de stilte wonen.
Het land van de stilte, dat is de Joodse onderwereld.
Maar we zagen in de vorige aflevering juist ook hoe voor Elias Yahweh zich manifesteerde in een zachte bries, in het zuizen van de stilte.
Stilte kan dus in de Bijbel zowel staan voor Gods afwezigheid als ook voor zijn aanwezigheid.
[00:12:00] Speaker B: Halleluja Halleluja Heilige Spiritus et Rea, et Rea misericore.
[00:12:52] Speaker A: Stilte kan ook de uitdrukking zijn van het grenzeloze ontzag voor God.
Nadat de profeet Habakkuk van de afgosbeelden gezegd heeft dat zij menselijke maaksels zijn die slechts kunnen zwijgen, horen we hem zeggen, Jaweh Echter woont in zijn heilige tempel.
Voor zijn aanschijn moet heel de aarde zwijgen.
En bij de profeet Zacharias vinden we iets soortgelijks.
Zwijg, al wat leeft voor het aangezicht van de Heer.
En op de ochtend van Stille Zaterdag zingen de orthodoxe monniken.
De geestelijke machten en heerscharen staan in stilte, overweldigd door de verwondering voor het onzagwekkende mysterie van uw graf.
De psalmist vertelt ons hoe samen met de engelen de gehele schepping, zelfs de sterren en planeten, God prijzen.
Mysterieus klinken ons de eerste versen van psalm 19 in de oren.
De hemel verhaalt de glorie van God.
Werk van zijn handen verkondigt het firmament.
De dag geeft het door aan de dag en de nacht legt het uit aan de nacht.
Het is geen spreken, het zijn geen woorden, men hoort ze niet klinken, maar hun taal dringt tot heel de aarde door, tot het eind der wereld wat ze zeggen.
In deze psalm zegt Boeteneff kunnen we het eeuwenoude thema tegenkomen van de harmonie der sferen. Dat de kosmos zelf harmonieuze muziek voortbrengt.
Dat wat de middeleeuwers later de musica universalis zouden noemen.
Ik had het in de vorige aflevering daar al over.
Bij de oud-christelijke vader Sint Gregorius van Nyssa komen we al het idee tegen dat het menselijk lichaam een instrument is waardoor de ziel zijn muziek maakt.
De menselijke compositie is slechts een microcosmos van het gehele universum, dat zelf een diverse en veelzijdige muzikale harmonie vormt.
De verbinding tussen de menselijke en de kosmische muziek is diepzinnig en is geworteld in God, die hier zowel de componist als de koormeester is.
De hemelen vertellen over de glorie van God door hun stille muziek.
De mensen kunnen dat ook, met de muziek van hun leven als ook met de muziek die ze maken.
De menselijke muziek is noodzakelijkerwijs vervormd door de zonden.
De zevende eeuwse heilige Maximus de Beleider schrijft uitvoerig hoe God de wereld schiep volgens zijn principes en ideeën, zijn goddelijke logooi.
De schepping bestaat dus uit de geactualiseerde ideeën van God.
Het resultaat is dat wanneer we in stilte de wereld beschouwen, we Gods zelfopenbaring aanschouwen.
Wanneer we de natuur beschouwen, kijken we naar de actualisering van Gods ideeën.
[00:17:06] Speaker B: Heer, Heer, Heer, Heer, Heer, et tuum in harmonisch intericidum pacem.
[00:17:53] Speaker A: Antieke en moderne christelijke schrijvers hebben het leven en de dood van Jezus Christus in termen van donderende stilte begrepen.
Ignatius van Antiochie sprak over Jezus als het woord, met een hoofdletter, dat voortkwam uit de stilte.
Hij werd gesproken in de stilte die aan de schepping voorafging.
Zoals we in de Filipijnse brief kunnen lezen, hij die bestond in goddelijke majesteit, heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God. Hij heeft zich van zichzelf ontdaan en het bestaan van een slaaf aangenomen.
Peter Boetnef neemt ons mee naar de vele momenten van stilte die in het leven van Jezus beschreven worden.
Een moment dat door stilte omgeven wordt is bijvoorbeeld de bekende scène rondom de overspelige vrouw, wanneer Jezus zwijgend iets in het zand schrijft.
Of de stiltes die vallen in het leidersverhaal tijdens de ondervragingen door de autoriteiten.
Maar hij gaf hen geen antwoord op welk punt dan ook, zodat de landvoogd hoogst verbaasd was.
En Boetjenef haalt de katholieke theoloog Hans Oers von Balthasar aan, wanneer deze reflecteert over de diepte van Christus' zwijgen aan het kruis.
Op het kruis, zo schreef Balthasar, is Jezus niet alleen door spreken bezig het heilswerk te voltrekken, maar ook door zijn zwijgen.
Met zijn laatste woorden, het is volbracht, gaat Jezus zelfs de stilte van de hel in.
Een stilte waarmee de donderslag van de vereisnis wordt voortgebracht.
Sprekend over het thema stilte kunnen we niet om het hesigasme heen.
Een spirituele praktijk die zijn oorsprong vindt in de orthodoxe traditie en teruggaat tot de woestijnvaders in de vroege christelijke geschiedenis.
Het woord hesigasme is afgeleid van het Griekse hesygia, dat stilte of rust betekent, waarmee verzaakt wordt aan alle gedachten, hartstochten en beelden.
Doel is om gedachten en geest tot rust te brengen door meditatie en gebed.
Vaak is dit verbonden met het Jezusgebed, dat als een mantra herhaald wordt.
Heer Jezus Christus, Zoon van God, ontferm U over mij een zonder.
Simpele woorden jawel, maar Jezus zelf leerde ons, als gij bidt, gebruik dan geen omhaal van woorden, zoals de heidenen, want deze menen dat ze door een veelheid van woorden verhoring zullen vinden.
Om God in ons te ervaren dienen we ons in stilte leeg te maken.
Een orthodox kerkgezang bevat de woorden van de vierde eeuwse aseet de heilige Hilarion.
Christus aanschouwde jouw zuivere en rustige leven, jouw zachtmoedigheid en jouw stilte.
Derhalve maakte hij jou tot zijn verblijfplaats en jij werd een goddelijke woning.
In de nabijbelse traditie werden zelflogening, verzaking en stilte al snel als onmisbaar gezien voor het verkrijgen van diepere inzichten in waarheid, in het zelf en in het goddelijke.
Zo schreef diadogus van Fotiki in de vijfde eeuw, geestelijke kennis komt voort uit gebed, diepe stilte en volledige verzaking.
en de vierdeeeuwse Basilius de Grote liet weten, stilte gaat vooraf aan de zuivering van de ziel.
En in de twaalfde eeuw levende Petrus van Damaskus, die voegt daar nog samenvattend aan toe, alleen de stilte brengt de kennis van God voort.
En tenslotte horen we van de heilige Johannes Klimakus dat, citaat, de geestelijke stilte de moeder van het gebed is.
Zijn naam, Klimakus, verwijst naar het boek dat hij schreef, de Paradijsladder, een leidraad voor de deugdbeoefening, waarbij elke trede van de ladder verwijst naar een hoofdstuk waarin een bepaalde deugd beschreven wordt.
Ook in dit boek staat het Jezusgebed centraal.
[00:23:42] Speaker B: Vlaamse, vlaamse, Vlaamse, vlaamse, Vlaamse, vlaamse, ZANG EN MUZIEK ZANG EN MUZIEK ZANG EN MUZIEK is er nergens.
ZANG EN MUZIEK
[00:27:03] Speaker A: Wanneer de vroege christenen in het eerste hoofdstuk van Genesis het scheppingsverhaal lazen, legde zij een grote nadruk op de rol van Gods scheppende woord.
Toen sprak God.
Er moet licht zijn.
En er was licht.
Volgens de Bijbel is het gehele universum geschapen door het woord.
Maar niet door een overvloed van woorden.
Elke scheppingsdag begint met een eenvoudige goddelijke uitspraak.
Die scheppingsdagen, die worden trouwens door sommige oude schrijvers ook wel opgevat als onmeetbaar lange perioden.
En op de zevende dag is er sprake van rust, dus van stilte.
Boeteneft schrijft, stilte omgeeft dus zowel het gehele scheppingsproces als ook iedere scheppingsdag apart.
Is het ook maar mogelijk de diepte van de stilte te peilen waarin het scheppende woord opklonk?
Dit is deels een theologisch probleem.
Wat was er voor het scheppende woord?
Kunnen we hierover spreken als stilte?
Wetenschappers die ons vertellen dat het onlogisch is over tijd en ruimte te spreken voor de Big Bang, bevestigen eigenlijk wat de vaders ook al aangenomen hebben.
Er is niets en dan is er.
Er is geen woord en dan is er woord.
De goddelijke stilte bevat in zichzelf al de principes, ideeën en bedoelingen volgens welke het universum gemaakt is.
Bij Jezaja lezen we immers, zo zal het ook gaan met mijn woord dat voortkomt uit mijn mond.
Het keert niet vruchteloos naar mij terug, maar pas wanneer het heeft gedaan wat mij behaagt, en alles heeft volvoerd waartoe ik het heb gezonden.
En Boeteneff benadrukt dan dat er een verschil is tussen de ongeschapen stilte van God, de Schepper, en de geluidloosheid die we kunnen kennen in de wereld die Hij geschapen heeft.
En toch, wanneer we de stilte van God proberen te peilen, dan zou het als model kunnen staan voor de geestelijke stilte waarover Johannes Klimakus sprak.
Het is die verstilling die gelijktijdig het sprakeloze ontzag voor Gods aanwezigheid bevat.
En de gecultiveerde stilte, de hesychia, die niet verstoord wordt door innerlijk of uiterlijk geluid.
De God van de joodschristelijke traditie kunnen we ons niet voorstellen en we kunnen hem niet beschrijven.
Hij moet benaderd worden in stilte en duisternis.
De vroege christelijke schrijvers noemden dit apofasis.
Tegelijkertijd is het een mens gegeven om iets te zeggen tegen God en over God.
Dat is wat zij noemden katafasis.
De mens kan bijvoorbeeld eenvoudig zeggen dat God liefde is.
Dionysius de Areogapiet heeft deze paradox benaderd door over God te spreken die naamloos is en tegelijkertijd alle namen draagt van alles wat bestaat.
God die buiten al het zijnde staat wordt gevonden binnen, zoals hij het zegt, de oogverblindende duisternis van een verborgen stilte.
Dionysius merkt de paradox op dat we, gegeven de manier waarop we geschapen zijn, we uiteindelijk iets over God kunnen zeggen, zolang we dat maar doen in het volle bewustzijn van Gods radicale anders zijn en zijn onuitsprekelijkheid.
Een dergelijke schijnbare tegenstelling treft de orthodoxe gelovige aan wanneer hij of zij voor een traditionele icoon staat van de vierde evangelist, die in de orthodoxe kerken bekend staat als Johannes de Theoloog.
Hij is de evangelist van het woord.
Zijn evangelie begint immers met, in het begin was het woord en het woord was bij God.
Maar in die traditionele iconografie staat Johannes vaak afgebeeld met zijn hand voor zijn mond.
Dat gebaar zou onder andere kunnen betekenen dat voor Johannes zijn levenbrengende woorden gaat uitspreken hij eerst stil moet zijn.
Zoals we Job aan het einde van dat Bijbelboek horen zeggen, nee, ik ben van weinig belang.
Wat moet ik zeggen?
Ik leg mijn hand tegen mijn mond.
Deze icoon wordt vaak aangeduid als die van de heilige Johannes in stilte.
Maar Boetenef wijst ons erop dat de stand van de vingers van de evangelist de vier letters vormen die een afkorting vormen van Jezus Christus.
Een zegenend gebaar dat de priester in elke orthodoxe dienst meermalen maakt.
In de icoon trekt de hand de aandacht naar de mond, die spreekt.
Maar de andere hand wijst op de icoon naar iets belangrijkers, namelijk het woord met een hoofdletter, Christus zelf.
Natuurlijk vinden we het besef dat stilte van wezenlijk belang is voor het geestelijk leven ook bij talloze in het Westen levende vaders.
Denkt u aan Sint Benedictus, de vader van de Westerse monniken, die in zijn regel een citaat van het volgende psalmvers opnam.
laat ik mijn woorden bewaken, opdat mij mijn tong niet verleidt, mijn mond als met een muilband verzekeren.
En de twintigste eeuwse priesterschrijver Henri Nouwen schreef in zijn boek De Woestijn Zal Opbloeien In de woestijn wilden de woestijnvaders delen in de goddelijke stilte van het zwijgen.
Vanuit dat zwijgen wilden zij tegemoet komen aan de noden van hun medemens en delen in de scheppende en verlossende kracht van het Woord Gods.
Woorden kunnen alleen maar gemeenschap tot stand brengen en nieuw leven schenken als zij doordrongen zijn van de stilte waaruit zij werden geboren.
Zodra wij de woorden gebruiken als een middel om beslag te leggen op de mensen, om onszelf te verdedigen of een ander aan te vallen, spreken zij niet meer van de stilte.
Als het woord de genezende en levengevende vrede van zijn eigen stilte oproept, is het niet meer nodig veel te spreken.
Men zegt dan veel door weinig te spreken.
De stilte van het zwijgen is het mysterie van de onzichtbare, evige en toekomstige wereld.
Aldus Henri Nouwen.
In orthodoxe kerkelijke gezangen worden heiligen ook nog wel eens verbonden met muziekinstrumenten en met muziek.
Zo horen we over de vierdeeeuwse Gregoriërse theoloog in een hymne de herdersfluit van uw theologie, smoorde de trompetten van de retoren.
Voor uw zoeken naar de diepte van de geest werd u begunstigd met de graven van de welsprekendheid.
In een andere hymne wordt Johannes van Damaskus uit de achtste eeuw vergeleken met een goed gestemd orgel en een zoet klinkende harp.
En de heilige in de zesde eeuw levende componist Romanos de Melodist wordt in een kerkelijke hymne aangeduid als de muzikale harp van de goddelijke geest, de fluit van de kerk, de nachtegaal, de cicada en de zanger van de hymne van God.
Muziek en stilte zijn in staat het bestaan van de waarheid en de schoonheid aan te tonen, sprekend over het hemelse en het goddelijke.
De 19e eeuwse dominee en schrijver George MacDonald schreef over de hemel, daar is enkel leven en wat er geen muziek is, is daarom stilte.
Maar juist als reactie op die brave Schotse dominee laat het door C.S. Lewis geschapen vernuftige duiveltje Screwtape weten hoe hij stilte en muziek nu juist verafschuwt.
Screwtape is voortdurend bezig de wereld te vullen met betekenisloos rumoer.
En we lezen in Brieven uit de Hel hoe deze screwtape dit ziet.
Muziek en stilte.
Wat haat ik deze dingen.
Wat moeten wij dankbaar zijn dat er al sinds onze vader de hel betrad, langer geleden dan mensen in lichtjaren kunnen uitdrukken, geen kubieke centimeter helse ruimte en geen seconde helse tijd aan deze beide verschrikkingen zijn blootgesteld.
maar geheel en hal bezet door lawaai.
Lawaai, het grote dynamisme, de hoorbare manifestatie van al wat juichend, manhaftig en medogeloos is.
Lawaai, ons enige schild en panzer tegen domme twijfels, wanhopige bedenkingen en onmogelijke verlangens.
Uiteindelijk zullen wij het hele universum in lawaai veranderen.
We hebben wat de aarde betreft al grote stappen in die richting gedaan.
De melodieën en de stiltes van de hemel zullen uiteindelijk worden weggeschreeuwd.
Maar het is waar, wij zijn nog niet luidruchtig genoeg.
Bij lange na niet.
Maar er wordt aan gewerkt.
C.S. Lewis publiceerde zijn Brieven uit de hel in het jaar 1941.
Levend in 2026 kan ik Screwtapes Er wordt aangewerkt een profetische betekenis niet ontzeggen.
De katholieke priesterschrijver Henry Nowen schreef al in 1981 In de loop van de voorbije decennia werden we overspoeld door een overvloed van woorden.
Waar we ook gaan of staan, Overal zijn woorden.
Woorden nu in zacht gefluisterd en dan weer krachtig uitgesproken.
Gedeclameerde en gezongen woorden.
Woorden op cassetteband, op papier, op de muren en in de lucht.
Woorden zo verschillend van klank, kleur en vorm.
Woorden die gehoord en gelezen, doorzien en vermoed worden.
Woorden die flikkeren, bewegen en dansen. Springen, komen en gaan.
Woorden, woorden en nog eens woorden.
Ze zijn als de bodem, de muren en het dak van ons bestaan geworden.
Niet altijd echter is dat zo geweest.
Er was een tijd, nog niet zo lang geleden, dat men geen radio of televisie kende.
Geen verkeersboorden, nog autostickers.
en ook geen altijd maar weerkerende aankondigingen van prijsverhogingen en koopjes.
De publiciteit waar onze steden nu vol van zijn, bestond toen nog niet.
En even verderop lezen we nog.
Eén van de grootste problemen van onze praatsieke tijd is wel het feit dat de stilte iets is geworden waarvoor men eigenlijk schrik heeft.
De meeste mensen worden erdoor prikkelbaar en nerveus.
Velen ervaren de stilte niet als een volheid en een rijkdom, maar eerder als een leegheid en een nutteloosheid.
De stilte is voor hen als een grapende afgrond waarin zij dreigen te vallen.
[00:41:06] Speaker B: ZANG EN MUZIEK Heer, wees vol genie, Muziek In de hemel, in de hemel, in de hemel.
ZANG EN MUZIEK
[00:45:05] Speaker A: Beste luisteraar, volgende week gaan we ons weer op een meer directe wijze met de muziek van Arvo Pärt bezighouden. Ik ga u dan onder meer proberen te vertellen hoe Boutenhef een theologische duiding geeft aan die muziek.
Hoe Boutenhef in de muziek van Pärt, los van de gezorgen teksten, een verklanking van een goddienstig wereldbeeld meen te kunnen zien.
Ik dank u weer voor uw gewaardeerde aandacht.